Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gruwen - (een afschuw hebben van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gruwen ww. ‘een afschuw hebben van’
Eerst onpersoonlijk: mnl. dien mensche mach wel gruwen jeghen die doot ‘het mag de mens wel angstig te moede zijn jegens de dood ’ [1339; MNW], dat mi daer of soude hebben ghegruwet ‘dat ik het afgrijselijk zou hebben gevonden’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. my grout ‘ik griezel ervan’ [1576; WNT]; dan ook persoonlijk, ick gruw, datter coomen sal een placcaet ... ‘ik ben heel bang dat er een verordening zal komen’ [1565; WNT], zij gruwen voor dit gedroght ‘zij zijn van angst vervuld voor dit gedrocht’ [1646; WNT].
De oorsprong van het woord gruwen ligt in het continentaal West-Germaanse gebied.
Mnd. grūwen, growen; ohd. (in)grūēn (mhd. gruwen, nhd. grauen); nfri. grouwe, grouje; me. gruen, gruwe uit het mnl. of mnd. (ne. (dial.) grue); nzw. gruva sig uit het mnd.; < pgm. *grūwan-. Daarnaast met achtervoegsel *irgrūwisōn waaruit ohd. irgrūson.
Gezien verwante vormen als Servo-Kroatisch grst ‘afschuw’, Sloveens grust ‘afschuw’ en Oudkerkslavisch grŭdŭ ‘afschuwelijk’ zijn gruwen en de daarvan afgeleide woorden misschien onder te brengen bij de wortel pie. *ghreuH- of ghreHu-, een uitbreiding van *gher- ‘hard wrijven, stuk wrijven’ (IEW 460) (zie ook → grut). Het is echter lastig om vanuit deze oorspronkelijke betekenis een zinvolle semantische ontwikkeling naar ‘een afschuw hebben van’ te reconstrueren, misschien was er een overdrachtelijke betekenis ‘het gemoed onaangenaam beroeren’ (NEW). Seebold voelt meer voor aansluiting bij pie. hers- ‘star omhoogstaan, beven’ (IEW 445), waarbij Latijn horrēre ‘verstarren, te berge rijzen; huiveren, ontzet zijn’, zie → horreur. De Germaanse woorden zouden dan klanknabootsende of affectieve vervormingen van die wortel zijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gruwen* [afschuw hebben van] {gr(o)uwen 1420} middelnederduits gruwen, growen, middelhoogduits gruwen, oudhoogduits (in)gruen, wordt in verband gebracht met oudkerkslavisch grŭdŭ [bang] (russisch gordyj [trots]) en zou dan verwant zijn met grut1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gruwen ww., mnl. grûwen, grouwen (onpers.), mnd. grūwen, growen (onpers.) ‘gruwen’, ohd. ingrūēn ‘huiveren, gruwen’ (nhd. grauen). Daarnaast mnl. grûlijc, ohd. grūlīh ‘afschuwelijk’ en nnl. gruwelijk, mnl. grûwelijc, grouwelijc, mnd. grūwelīk, mhd. griuwelich, griulich (nhd. greulich), verder het ww. gruwelen mnl. grûwelen, grouwelen, mnd. grūweln, mhd. griuweln, griulen en het znw. gruwel, mnl. grûwel, mnd. grūwel, mhd. griuwel, griul(e) ‘afschuw’; vgl. ook on. grȳla ‘spook, heks’. Van de germ. wt. *grū zijn verder afgeleid oostnl. gruysen ‘vrezen’ (Teuth.), ohd. irgrūsōn (nhd. grausen), os. gruri, oe. gryre ‘huivering’, noorw. dial. griosa ‘huiveren’, waarnaast weer met affectieve klankwisseling: mnl. grîsen, grîselen (zie: griezelen). — > ne. grue ‘beven van schrik’ (sedert 1300) en vgl. gruwzaam > ne. gruesome (sedert 1570), vgl. Bense 131.

Het is moeilijk voor deze typisch germaanse woorden verwanten in het idg. aan te wijzen. Maar serbo-kroat. grst ‘afschuw’, sloveens grust ‘afschuw’ en asl. grŭdŭ ‘afschuwelijk’ doen vermoeden, dat zij uiteindelijk zullen behoren bij de idg. wt. *ghrēu (IEW 460-1) waarvoor zie: gort. Men kan denken aan een overdrachtelijke betekenis van ‘hard wrijven’, bijv. ‘het gemoed onaangenaam beroeren’. Maar dit blijft toch zeer problematisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gruwen ww., mnl. grûwen, grouwen onpers. ww. “gruwen”. = ohd. in-grûên (nhd. grauen, gew. onpers.) “huiveren, gruwen”, mnd. grûwen, growen (onpers.) “gruwen”. Van de basis ʒrû- ook ohd. grûlîh “afschuwelijk”, mnl. grûlijc “id.”, waarnaast mhd. griuwelich, griulich (nhd. greulich), mnd. grûwelik, mnl. grûwelijc, grouwelijc (nnl. gruwelijk) “id.”, benevens het ww. mhd. griuweln, griulen, md. grûweln, grûlen (nhd. graueln), mnd. grûweln, mnl. grûwelen, grouwelen “gruwelen” (ndl. gruwelen), in de ME. nog alle onpers. Hierbij weer mhd. griuwel, griul(e) m. “afschuw” (nhd. greuel), mnd. grûwel m. “id.”, mnl. grûwel m. “id.” (nnl. gruwel o.). Met l-formans ook on. grŷla v. “spook, heks”. Zeer verbreid is de verlengde basis ʒrū̆-s-: Teuth. gruysen “vreezen”, ohd. ir-grûsôn (ook -grûwisôn, -grûisôn; nhd. grausen) “huiveren, gruwen”, os. gruri m., ags. gryre m. “huivering, vrees”, ags. begroren “beangstigd”, noorw. dial. griosa “huiveren”. Niet verwant is on. hrjôsa “huiveren, beven”. Germ. ʒrū̆- kan met lat. ruo “ik stort”, ingruo “ik stort binnen”, gr. hékhrao “ik overviel”, lit. griûvù, griúti “in puin vallen” (ook russ. grúchnut́-śa “instorten”?) verwant zijn (onzeker); voor de bet. vgl. opr. krût “vallen”, ags. hrêosan “id.”: on. hrjôsa “huiveren”.[Dit laatste wordt echter ook met gr. krúos “vorst”, kruerós “koud, huiveringwekkend, vreeselijk” gecombineerd] Men denkt ook wel aan verwantschap van gruwen met de basis ghrū̆-(d-), bij gort besproken, vgl. lit. mán szirdìs pagrúdo “het werd mij week om het hart”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] gruwen. Adde: mnl. gru, gruw m. “schrik, afgrijselijkheid” (nog zuidndl. zeer verbreid). — Buiten ’t Germ. vgl. nog serv. grušta (grušća), slov. grûst, grúšča “walg, beleediging”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gruwen. Hierbij het znw. mnl. grû, grûw m. ‘schrik, afgrijselijkheid’, nog zuidndl. (v.Wijk Aanv.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gru ww.
Gril (3gril).
Uit Ndl. gruwen (1690).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gruwen, gruwel: van den Westgerm. wt. gru = ijzen, huiveren, verschrikken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gruwen ‘afschuw hebben van’ -> Deens grue ‘afschuw hebben van’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors grue ‘opzien tegen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gruva sig ‘afschuw hebben van, opzien tegen’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gruwen* afschuw hebben van 1420 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut