Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gruwel - (afschuw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gruwel 1 zn. ‘afschuw; afschuwelijke zaak’
Mnl. doe verscrocken si van gruwele ‘toen verstijfden zij van gruwelijke schrik’ [1332; MNW verschricken], wisen den wech daer men bi ontgaet ghenen gruwel ‘de weg wijzen, waarlangs men aan geen gruwel ontkomt’ [ca. 1350; MNW]; eerder al de afleiding → gruwelijk.
Afleiding van de stam van het werkwoord → gruwen ‘een afschuw hebben van’ met het achtervoegsel -el, zoals in → bundel en → druppel.
Mnd. grūwel; mhd. griuwel, griul(e) (nhd. Greuel); nfri. grouwel; on. grýla ‘schrikbeeld; heks’; < pgm. *gruwilō-. Daarnaast eerder al os. grioloco ‘gruwelijk’ < pgm. *greu-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gruwel* [afschuw] {gruwel 1350, vgl. griwelike 1265-1270} van gruwelen, intensivum van gruwen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gruwel 1 m. (afschrik), van gruwelen, frequent. van gruwen, Mnl. id. + Ohd. grûên (Mhd. grûwen, Nhd. grauen), Eng. to grow, Zw. grufva, De. grue: Germ. wrt. gru; daarnevens Germ. wrt. grus: Mhd. grûs (Nhd. graus), Ags. grýre, Os. grúri. Z. ook grijzelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gruwel s.nw.
1. Afskuwelike, verfoeilike daad. 2. Iets wat 'n mens laat gril. 3. Onnutsige mens.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. gruwel (eerste optekening in Die Bybel, waarna 1642 in bet. 1, 1868 - 1872 in bet. 2). Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel. Die oorspr. bet. van Ndl. gruwel (al Mnl.), nl. 'skrik, afgryse' is nie in Afr. oorgeneem nie. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gruwen, gruwel: van den Westgerm. wt. gru = ijzen, huiveren, verschrikken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gruwel ‘afschuw’ -> Negerhollands grywel ‘afschuw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gruwel* afschuw 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut