Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grutto - (vogel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grutto zn. ‘vogel (Limosa limosa)’
Nnl. grutto ‘id.’ [1764; Eigenhuis 2004]. Daarnaast staan soortgelijke benamingen voor dezelfde vogel: gritto, grieto, griet [resp. ca. 1636, 1647, 1717; id.].
Klanknabootsend woord, naar de roep van de vogel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

griet1* [grutto] {1717} ontstaan uit grutto, klanknabootsende vorming.

grit1* [grutto] {1872} nevenvorm van griet1.

grutto* [vogel] {1860} klanknabootsende benaming; hieruit griet1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

griet 2 znw. m. ‘vogelsoort, grutto’, vgl. oostfri. grēt, grēta, grïta, ontstaan uit het klanknabootsende grutto.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

griet II (vogel). Ontstaan uit het synonieme, oorspr. het geluid van den vogel aanduidende grutto, — onder invloed van den eigennaam Griet (verkorting van Margriet, Margaretha), vgl. Gerrit = “kraai” of “ekster” e.dgl.; zie gaai. Ook oostfri. grêt, grêta, grîta. In ʼt Zaansch grut.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

griet 2 m. (vogel), onomat.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Grait Griet Grieto Volksnamen voor de Grutto ↑ in Friesland en Groningen. Er zijn nog andere schrijfwijzen van deze namen [ViF 1977; VPG 1983]. De namen zijn alle geluidsnabootsend naar de voorjaarsroep van vooral de ♂♂. Wüst 1970 noemt de D volksnamen Grütta, Grütte, Grita, Greta, Greto. De vrouwennaam zal hier en daar van invloed geweest zijn (bij Greta bijv.).

Griet Oude N volksnaam voor de Grutto ↑. Ook Grait ↑. VPG 1983 noemt de groningse volksnamen Griet, Grait en Grieto, maar Gavere & Bemmelen 1856 noemen deze namen niet (wel het éénlettergrepige Grut). Stadsfries Griet, Gryt en Grito kunnen wijzen op het algemeen N karakter van deze namen want in het grootste deel van Friesland is de naam Skries [ViF p.681]. Op Terschelling scheidt men meslânzers Gryt van westers Grutto. Albarda 1897 noemt Rosse Griet als volksnaam op Terschelling voor de Rosse Grutto. In zuidoost-Friesland, in Dwingeloo en in de Kop van Overijssel Gritte [ViF; Smit 1996: B&TS], in Overijssel ook Griet [Rynja 1983]. Oostfries Grêta, Grîta [De Vries 1928]. Schaars 1989 noemt Grete in Lochem en Laren (Gld). Griet en varianten komen ook hier en daar in de Peel en de Achterhoek voor [WLD; Schaars]. VVE 1987 geeft als enige volksnaam voor Vechtstreek en Eempolders: Griet. Griet komt frequent voor in West-Vlaanderen [WVD]. De naam Griet is ook terechtgekomen in Zuid-Afrika, waar de Grutto Swartstertgriet heet en de Rosse Grutto Bandstertgriet [Sinclair 1984]. Nederduits Grita, waarnaast Grütta, Grütte, Greta en Greto [Wüst 1970].
ETYMOLOGIE Griet (1717 [De Tollenaere 020613]) is een inkorting van de zuivere onomatopee Grieto, welke naam al in 1647 geattesteerd werd (en bij Van Heenvliet c.1636 Gritto). Zulke verkortingen, welke het onomatopoëtisch karakter geweld aandoen, komen vaker voor bij vogelnamen (zie sub Kieft, Koekoek en Kwartel).
B&TS beweren dat de meisjesnaam (Mar)Griet van invloed is geweest op de vorming van de vogelnaam Griet. Het bewijs daarvoor wordt niet aangevoerd.

Grutter Volksnaam in de Zaanstreek (NH) voor de Grutto ↑ [ZiK]. De Grutter is de naam van het tijdschrift van de Vogelbeschermingswacht Zaanstreek (met de 21e jaargang in 1997). Er is hier ook de variante vogelnaam Grut.

Rosse Grutto Limosa lapponica (Linnaeus: Scolopax) 1758. Iets kleinere, noordelijker broedende, tegenhanger van de Grutto. Het ♂ van de Rosse Grutto en het ♀ van de Rosse Franjepoot ↑ hebben in het broedkleed een mooie donkerrode kleur gemeen. In de Lage Landen, waar de Rosse Grutto niet broedt, zijn zulke fraai gekleurde ♂♂ toch dikwijls te zien, op plaatsen waar ze overzomeren of tijdens de trek neerstrijken.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 noemde Linnaeus’ 12e ‘Scolopax’ “Laplandsche Snep” ↑, in feite de vertaling van lapponica. Dezelfde N naam hanteerden B&O 1822. Nozeman & Houttuyn 1770-1829 behandelen de soort niet. Schlegel 1852 noemt hem “De rosse grutto” (cursief).

Grutto Limosa limosa (Linnaeus: Scolopax) 1758. Eén der bekende N weidevogels, nu in zijn voortbestaan bedreigd door ecologisch onverantwoorde landbouwvoering. De naam is een bekend voorbeeld van een zgn. zuivere onomatopee (geluidsnabootsende naam). In het voorjaar roepen de vogels “gruut-o-gruut-o-gruut”, waarin de [uu] bijna klinkt als [ie]. Een andere onomatopoëtische (volks)naam is dan ook Griet ↑. Ernaast oostfries Greta en Grita [NEW 1992 p.220; De Vries 1928 p.97]. Schlegel 1858 noemt naast de officiële naam Grutto ook de volksnaam Grut, welke volgens B&TS 1995 in de Zaanstreek (NH) voorkomt. Fries Grütte bij Gesner 1555 [Suolahti p.283].
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Vroeg 1764 noemt “GRUTTO of MAARL”. Houttuyn 1763 noemt alleen de naam Poelsnep, geen onomatopoëtische naam. Toch bestond die toen (of eerder) al wel: Van Heenvliet (c.1636) noemt de “Maerel oft Gritto” [Swaen 1948]. NV 1770 noemt de namen Grutto, Marel en Marl. De voorloper van fries Skries ↑ vinden we in een plakkaat van Ernst Casimir van 9 oktober 1628: Schrye (“... de Schryevanghst ... vyffhondert Schryen ...”) en in HG 1669 (“Die Friesen nennen ihn ein Schrye”).
D Uferschnepfe (letterlijk: ‘oeversnip’), terwijl de Rosse Grutto Limosa lapponica in het D Pfuhlschnepfe (letterlijk ‘poelsnip’) wordt genoemd. N Poelsnep voor Linnaeus’ Scolopax limosa (nr.10) wordt genoemd door Houttuyn 1763 en Roodhals [Poelsnep] voor Linnaeus’ Scolopax aegocephala (nr.13). Daar Linnaeus met Scolopax Lapponica (nr.12) de Rosse Grutto op het oog had (en met Scolopax haemastica, nr.14, een aparte, noordamerikaanse gruttosoort Limosa haemastica), zullen Sc. limosa en Sc. aegocephala wel haast dezelfde soort geweest moeten zijn. Inderdaad voert Schlegel 1858 de wetenschappelijke naam “Limosa aegocephala” voor de Grutto (p.437). De betekenis van aegocephala is: ‘Geitenkop’ (aíx ‘Geit’ en Gr kephalḗ ‘kop’), een naam bij de oude Grieken, misschien vanwege de gelijkenis van de lange snavel van de Grutto met de sik van een Geit; (vgl. de N volksnaam De dame met het lange gezicht voor de Houtsnip). Deze betekenis is begrepen, want in de landstaal vertaald door de Nederlanders (volksnaam Geitekop), de Belgen (hoewel slechts half begrepen met Geitemelker!) en de Engelsen (met Goat-head) [Houttuyn 1763]. Deze laatste naam leidt tot de bespreking van:
E Godwit, welke naam al in 1544 bij Turner in de gelatiniseerde vorm (“godwittam”) wordt aangetroffen. Lockwood 1993 denkt dat deze naam gemodificeerd is door volksetymologische invloeden. Hij gaat hierbij uit van een niet-overgeleverde onomatopoëtische basis. De voornoemde naam Goat-head wordt noch door Lockwood, noch door Jackson 1968 genoemd, en is dus, evenals fedoa, een verlorengegane E naam voor de Grutto. Er valt evenwel veel voor te zeggen dat juist Goat-head de basis is geweest voor Godwit. Zo ligt een assimilatie van de t van goat aan de stemhebbende h van head voor de hand en krijgen we de uitspraak [’goudhed]. Volksetymologische verbastering kan vervolgens Godwit (‘vernuft van God’) hebben doen ontstaan. Gruson 1972 heeft echter een andere verklaring: E Godwit god wiht ‘goed wezen, goed creatuur’ (vergelijk N wicht) waarbij zeker gedacht kan worden aan de grote waarde (in geld) van de soort, want hij was op culinair gebied gewild. De in het bovenvermelde plakkaat van Ernst Casimir genoemde 500 Grutto’s en Kemphanen werden aan bescherming onttrokken, omdat dit aantal ieder half jaar naar “den Coninck van Groot Brittannien” moest worden gezonden! Deze consumeerde dan de lading.
[F Barge (à queue noire) sinds 1553 (Belon) <berge (1532) [C&C 1995] en/of ?bardea ‘Kuifleeuwerik’ [Robert 1993]. Deze laatste link is dus niet zeker. C&C zien een relatie met de bard ‘keltische minstreel’, die tijdens zijn voordracht zijn stem verheft. Zijn stem verheffen doet ook de Grutto (zie boven). Maar misschien is er volgens deze auteurs ook verband met het provençaalse ww. barja (= F bavarder ‘babbelen’).]

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GRUTTOLimosa limosa
Duits Uferschnepfe
Engels Black-tailed Godwit
Frans Barge à queue noire
Fries Skries
Betekenis wetenschappelijke naam: vogel van de slikgronden. Grutto is een door klanknabootsing gevormde naam. De alom bekende roep van de vogel wordt in vogelboeken op verschillende wijze weergegeven. Evenzoveel variaties op de naam treffen we als volksnaam aan. Hier volgt een reeks: Grut(ter) (Zaa), Gruut (Ens), Gutteur (ONB), Griet (Ov, Ter), een naam die mede onder invloed van de meisjesnaam (Mar)griet is ontstaan, Grieto (Ame, Fr, Tex), Grietoe (Fr), Grit (Ov), Gryt (Ter), Grait (Gr), Grete (Ach) en Gritte (Fr, KvO). De vermelde Friese naam, plaatselijk als Skrie of Skriër aangeduid, heeft eveneens betrekking op het geluid, al gaat het hier meer om het roepen van de vogel tijdens de vlucht. De naam is afgeleid van het Oudfriese skria dat schreeuwen betekent. Schaarsluip doet vermoeden dat de roep ook wel eens op het geluid van een scharensliep lijkt. Vroeg in het voorjaar wordt de ondersoort IJslandse GruttoLimosa l. islandica hier waargenomen, onderweg van Europese kuststreken naar z’n noordelijke broedgebieden. De Grutto broedt en fourageert bij voorkeur in vochtige weiden. Ook zoekt hij zijn voedsel langs de Waddenkust, rivieroevers en in het Deltagebied. Mogelijk zijn de namen Wedde (NB) en Wetter (NB) gevormd uit wed, waadbare plaats. Vrijwel gelijk aan de betekenis van de wetenschappelijke naam is Slijk- of Sliktreder. Hetzelfde betekenen de namen Mearn (Fr) en Mering (Wie). Ze zijn afgeleid van het Oudnoorse myre (Eng. mire), dat is slik of modder. Het element ‘moat’ in het Vriezenveense Moathenne is een dialektnaam van made: hooiland, laag gelegen grasland (te vochtig voor het laten grazen van vee). Algemener was de naam Mathoen. Soms wordt de Grutto vergeleken met andere vogelsoorten hetgeen resulteert in namen als Bruin Ooievaartje, Oeversnip (Lb) – als in ‘t Duits –, Rechtbekwilp (Gr) en het Vlaamse Meiwulp of Kleine Wulp. Het Twentse Werp is een variant van Wulp. De Engelse volksnaam Goat-head, is bij ons Geitekop geworden. Hier past ook de naam Widder (ONB), uit het Duits, die ‘ram’ betekent. Bij onze zuiderburen vinden we de naam Geitemelker, een naam die wij kennen voor de Nachtzwaluw en de Watersnip. Welke relatie er tussen de Grutto en de geit wordt bedoeld is onbekend. Mogelijk is er een onjuiste vertaling uit het Frans geweest: vergelijk tête = kop, naast de volksnaam Tète-chèvre = zuig-geit’. Evenmin duidelijk is de betekenis van de naam T(s)just (Ter). Het kan zoals bij de Tureluur gaan om geluid en snavelvorm. De volksnamen Marel (NH, Tex, ZH) en Weimarel (Sco) komen van het Franse morelle, ontstaan uit more (moor) en zo genoemd vanwege zijn kleur. Nu kent het woord ‘moor’ een tweetal betekenissen. De eerste is die van een geheel zwart dier, hetgeen niet van toepassing lijkt op de Grutto die slechts een zwarte eindband aan de staart heeft, waaraan hij de naam Zwartstaart (zie Engelse en Franse naam) te danken heeft. De andere betekenis – via moiré – is een woord dat staat voor iets dat gewaterd of gevlamd is. Mogelijk dat dit duidt op het bruingevlekte verenkleed. Andere opvattingen zijn echter dat Marel met het vermelde Mering verband houdt of met de zang van een Merel werd vergeleken. De naam Stor (NB) heeft vermoedelijk betrekking op de lange poten, waardoor het idee van ‘stram’ lopen ontstaat.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

griet* steltloper 1717 [WNT vogel]

grutto* steltloper 1770 [Van Groen, Steltlopers 72]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut