Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gruit - (ingrediënt van bier; volksnaam of oude naam voor waterpest)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gruit* [ingrediënt van bier] {grute, gruut 999} verwant met gort, grut1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gort znw. m., mnl. gorte, gort, mnd. gorte ‘grutjes, gort’, ohd. gruzzi (nhd. grütze), oe. grytt (ne. grit) ‘grutjes, meel’. — Daarnaast staat grut (Kiliaen grutte Zeel.), dat een dial. vorm zonder metathesis van r zal zijn. — Germ. grondvorm *grŭtja, afgeleid van *grŭta vgl. oe. grot ‘klein deeltje’. Ablautsvormen zijn: *greuta in mnl. griet ‘grof zand, steengruis’, os. griot, ohd. grioʒ (nhd. griess > griesmeel), oe. grēot ‘zand, kiezel, strand’, on. grjōt ‘steen’; dan *grauta vgl. on. grautr ‘brij, gort’ en *grūta vgl. mnl. grûte, gruut, nnl. gruit ‘stof voor bierbrouwen’, oudnnl. ook ‘heffe, desem’, mhd. grūʒ (nhd. graus, grauss) ‘zandkorrel, graankorrel’, os. grut ‘gruit, gruitbier’, oe. grut ‘bezinksel, gort, meel’ (ne. grout), ofri. grēt- ‘zand’. — osl. gruda ‘aardklomp’, lit. grudas, lett. grauds ‘graan’, lat. rudus ‘verbrokkelde steen, puin’, gr. chraíō, chraúō ‘licht wonden, schrammen’, chrṓs ‘huidoppervlak’, kymr. gro ‘zand’. — De idg. wt. *ghreu ‘stukwrijven’ is afgeleid van *gher, vgl. gr. chérados ‘kiezelzand’ (IEW 460).

De grondbet. is dus ‘wat fijngestoten is’, en vandaar behalve ‘kiezel’ of ‘zand’ ook ‘graankorrels’ die grofgemalen tot het bereiden van pap gebruikt werden. — Zie verder: griend en gruis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gort znw., mnl. gorte, gort (v.?) Met metathesis; vgl. kikvors. = ohd. gruzzi o. (nhd. grütze v.), mnd. gorte v. “grutjes, gort”, ags. grytt. v. (eng. grit) “grutjes, meel. Nndl. grut zal óf een dial. vorm zijn (vgl. de vormen zonder en met metathesis bij wrat en Kil. “grutte Zeland, j. hirs. Milium”, dus= “gierst”) òf naar hd. grütze gemaakt. Van grut komt grutter: Zaansch gorter. Grut in klein grut is ’t zelfde woord, ’t Grondwoord van *ʒrutja-, -ô- is germ. *ʒruta-: ags. grot o. “klein deeltje”. Met ablaut: 1. mnl. griet o. “grof zand, steengruis”, mhd. grieʒen “stukslaan”, ohd. grioʒ m. o. “zand, kiezel, strand” (nhd. griess m.; zie griesmeel), os. griot o., ags. grêot o. “id.”, on. grjôt o. “steen, steen om mee te bouwen”, 2. on. grautr m. “brij, gort”, 3. ndl. gruit (verouderd), mnl. grûte, gruut v. “een stof voor bierbrouwen gebruikt, recht van de gruit”, oudnnl. ook “heffe, deesem, draf”, os. grût v. “gruit, gruitbier”, ags. grût v. “bezinksel, gort, meel” (eng. grout), mhd. grûʒ m. “zand-, graankorrel (nhd. graus, grauss); hierbij sluit zich misschien ofri. grêt (in samenst., = “arena”) aan *ʒruti-?). Lat. rûdus “puin, verbrokkelde steen”, russ. grûda “steenhoop”, lit. grúdas “korrel”, grúdżu, grûsti “stampen” zijn verwant, en zonder d kymr. gro “kiezelzand”. Zie griend en gruis. Uit ’t Germ. ook rom. woorden, zooals fr. gruau “gort, brij” > eng. gruel “id.”, uit ’t Hd. it. gruzzo “hoop van bijeengebrachte voorwerpen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gruit v. (droesem), Mnl. grute + Mhd. grûʒ, Ags. grút (Eng. grout), On. grautr (Zw. gröt. De. grød): Germ. wrt. greut + Lat. rudus = kiezel, puin, Lit. grúdas = koorn: Idg. wrt. ghreu̯d (z. gruis en gort).

Thematische woordenboeken

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Elodéa | Elodéa canadénsis: Waterpest
Elodea is afkomstig van het Griekse woord helodes, hetgeen wil zeggen moeras-lievend of moerasbewonend. Deze naam is eigenlijk misleidend, want het geslacht groeit vooral in fris, helder water. De soortnaam canadensis duidt er reeds op dat de plant van oorsprong geen inheemse is, maar afkomstig uit Canada.
Dit waterplantje heeft indertijd, door zijn massaal en snel optreden in sloten en plassen, een grote beroering teweeggebracht. Dit explosief optreden, waardoor vooral sloten en vaarten spoedig dichtgroeiden, heeft de plant de naam Waterpest bezorgd. Na deze plotselinge verovering van de waterwegen is thans de groei in meer gewone banen gekomen. In het kort is de geschiedenis van het optreden in Europa als volgt: In 1836 werd Elodea voor het eerst in een vijver te Warrington in Ierland waargenomen. Niemand weet hoe het waterplantje daar terecht gekomen is. In 1841 treft men de Waterpest in Engeland aan, in 1842 reeds in Schotland en enige jaren daarna in 1847 in Midden-Engeland. Van Engeland uit werd de plant naar het vasteland van Europa verzonden, naar botanische tuinen, want deze instituten wilden gaarne deze nieuweling in hun verzamelingen hebben. Wat ons land betreft neemt men aan dat ze in 1860 vanuit de Utrechtse hortus al of niet opzettelijk in onze sloten is terechtgekomen. Verdere verspreiding geschiedde onder meer door watervogels. Er zijn geen gegevens beschikbaar waaruit is op te maken wanneer de Waterpest voor het eerst in de hortus te Utrecht is terechtgekomen. In het Album der Natuur van 1873 vinden we het volgende vermeld: ‘Zij moge nadeel doen door de scheepvaart te belemmeren; de landbouwer maakt daarvan groot nut om haar als meststof, vooral voor rogge, op het land te brengen.’ Hieruit blijkt dat in de korte spanne tijds van 1860 tot 1873 de vermeerdering en verspreiding wel zeer snel verlopen is.
Pas in 1863 wordt zij in Duitsland, in Trier, voor het eerst, aangetroffen. De snelle groei en vermeerdering wordt mogelijk omdat elk losgelaten stengelstuk tot een volledige plant kan uitgroeien. Dus een vegetatieve vermeerdering. Hierbij valt nog op te merken dat men in ons land slechts vrouwelijke exemplaren aantreft, en daar de manlijke ontbreken, kan er geen zaadvorming plaatsvinden. Wat Europa betreft komen alleen in Schotland manlijke exemplaren voor.
Behalve Waterpest komt in het graafschap Zutphen de naam Professerskruid voor. Gezien het ontsnappen uit de horti geen onaardige naam. De benaming Studentenroet is volgens Heukels als volgt ontstaan: ‘Het heet, dat de leerlingen der voormalige landbouwschool te Haren zoogenaamde akkerstudenten, deze plant in slooten van Groningen hebben gebracht.’
De namen Engels Ruigt en Engels Vuil respectievelijk in Utrecht en Zuid-Holland duiden nu niet op een hoge waardering. Zou de naam Gruit op Voorne en Beierland niet duiden op grut, hier als uitschot bedoeld? Gruit is een zeer oude naam in de betekenis van draf, drab, en droesem, spoeling, nietswaardig overschot en verder uitgebreid tot het begrip waardeloos. Japanezenkruid is wellicht op te vatten als vreemd kruid, van elders afkomstig; men heeft toen maar een of andere naam gekozen of gegeven. De naam Flab vinden we opgegeven voor het Zuidhollandse gebied. Flap en Flappen noemde men vroeger planten met lange stengels die vaak over een groot oppervlak door elkaar gestrengeld
zijn. Hetgeen ook op de Waterpest van toepassing is. Zo vinden we in het Leidsch Dagblad van vijf oktober 1896 het volgende vermeld: ‘De ingelanden hebben daarom te zorgen voor het zuiveren dier werken van zuigten, kwal, flabben, kroos enzovoort...’

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gruit ‘ingrediënt van bier’ -> Frans dialect † grute ‘gruitbelasting, gruitgeld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gruit* ingrediënt van bier 0999 [Slicher]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut