Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grote bonte specht - (vogelsoort)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Grote Bonte Specht Dendrocopos major (Linnaeus: Picus) 1758. Dit is (thans!) de be- kendste Spechtensoort in Nederland. Deze soort staat tegenover een kleinere, die minder talrijk in ons land voorkomt, de Kleine Bonte Specht ↑. Daarnaast is er nog de, in ons land zeldzame, Middelste Bonte Specht. ‘Bont’ betekent hier: met opvallend contrasterende zwarte en witte veerpartijen (i.t.t. de Groene Specht en i.t.t. de Zwarte Specht). Om dezelfde reden heet de vogel in het fries: Grutte Eksterspjocht (zie sub Eksterspecht) en Grutte Bûntspjocht.
De onderhavige naam staat in Houttuyn 1762, p.389: Groote bonte Specht. Later, in NV 1770: “Grooter bontspecht” en in B&O 1822: “De groote Bontspecht”. Schlegel 1852 hanteert dan weer de naam DE BONTE SPECHT, een naam die herhaald wordt in zijn boek in 1858. Albarda 1897: Groote Bonte Specht. De oorsprong van de N naam moet misschien in het D gezocht worden; Jonston 1660 vermeldt op Tab.41 bij een afbeelding van de Grote Bonte Specht: “Picus Maior Bundter Specht”. In vroeger tijden was de Groene Specht ↑ beter bij de mensen bekend dan de Grote Bonte. ‘Specht’ (zonder meer) zal dus vroeger eerder op de Groene dan op de Grote Bonte betrekking hebben gehad. Voor Dendrocopos zie Wilms 020224,4 en in prep.
ETYMOLOGIE bont: zie sub Bontbekplevier.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GROTE BONTE SPECHTDendrocopos major
Duits Buntspecht
Engels Great Spotted Woodpecker
Frans Pic épeiche
Fries Grutte Eksterspjocht
Betekenis wetenschappelijke naam: grotere boomhakker. Het veelkleurige verenkleed en kloeke formaat in vergelijking met de kleinere ‘bonte spechten’ ligt ten grondslag aan de naam. Dat is evenzeer het geval met de namen Groter(e) Bont-Specht, Greate Bûntspjocht (Fr) en Bonde Specht (Gr). Met Halfspecht (Vla) wordt aangegeven dat de ‘grote bonte’ op zijn beurt weer aanzienlijk kleiner is dan de Groene Specht. De bloedrode kleur van kruin en onderlijf leidde in Vlaanderen tot de namen Bloedspecht en Bloemspecht. Z’n overwegend zwart-witte pak en de krachtige puntige snavel roepen een vergelijking op met de Ekster. Dat is herkenbaar in de Friese benaming alsmede in Eksterspecht (NB, NH) en Klapekster (Lb). Het element ‘klap’ in de laatste naam is verbonden met het bekende trommelen of roffelen van de specht. Dit roffelende geluid ontstaat doordat de vogel met snavelslagen een dode tak of (holle) boomstam in trilling brengt. Andere namen die samenhangen met dit kenmerkende geluid zijn Klopper(menneke) (Twe), Baompikker (Goe, Sco), Buumpikker (ZVl), Boamklopper (ZVl), Roffelaer (ZVl), Houtpikker (Ter), Houtsnip (Ter), Timmerman (Rij) en Tamboer. Een min of meer algemene naam voor spechten is Langwerker (NB). Vermoedelijk omdat de vogels ook na een acht-urige werkdag nog hun ‘timmerlust’ botvieren. Vermaard is de spechtensmidse, zoals een boomspleet waarin de specht een noot, spar- of dennenappel vastklemt, om er dan met zijn sterke snavel de zaden uit te hakken. Kletterspecht is een uit het Duits afkomstige naam. Deze naam is afgeleid van het Duitse klättern; er wordt mee weergegeven dat de vogel bij het klimmen als het ware tegen een boomstam ‘kleeft’. In de Griekse mythologie is de specht gewijd aan Zeus en Picus. Picus – zoon van Saturnus – werd veranderd in een specht toen hij de liefde van tovenares Circe afwees.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut