Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grot - (grote onderaardse ruimte, spelonk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grot zn. ‘grote onderaardse ruimte, spelonk’
Vnnl. ‘(nabootsing van) een onderaardse ruimte, gewelf’ in In den hof is een ander fontain in een grotte ‘in de tuin is nog een bron in een (kunstmatige) grot’ [1601; WNT], te Napels, en te Room d' Italiaensche grotten [1625; WNT], dan ook ‘natuurlijke spelonk’ in een roofspelonk, een grot van desperaasy ‘een rovershol, een grot van wanhoop’ [1660; WNT roof I], in de daer by gelegene grot van het gebergte [1714; WNT trouw IV], in nabootzing van de natuurlijke grotten, worden in voornaame plaisier-tuinen ... ook konstige grotten toegestelt ‘... ook kunstmatige grotten aangelegd’ [1769; WNT].
Al dan niet via Frans grotte, tegenwoordig weer ‘natuurlijke onderaardse ruimte’, eerder ‘kunstmatige (tuin)grot in Italiaanse stijl’ [1537; Rey], daarvoor nauwelijks aangetroffen; oudste vorm grote ‘onderaardse ruimte’ [1280; Rey], ontleend aan Italiaans grotta ‘onderaardse ruimte, grot’ [1300-13; DEDLI] < vulgair Latijn *grupta, *crupta < Latijn crypta ‘onderaardse gang, tunnel, grot’, zie → crypte en → krocht.
Het woord is, ook in het Frans, ontleend toen er grote invloed was van Italiaanse architectuur en tuinarchitectuur, geïnspireerd op de uitgegraven ruïnes van antieke gebouwen, de zogeheten “grotten ”, die sedert het begin van de Italiaanse Renaissance werden blootgelegd; zie ook → grotesk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grot [onderaardse ruimte] {1600} < frans grotte [idem (m.b.t. tuingrotten)] < italiaans grotta [grot] < latijn crypta (vgl. crypte).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grot znw. v., sedert de 17de eeuw < fra. grotte < ital. grotta, dat zelf weer< vulg. lat. crupta < gr. krúptē ‘kelder, hol’. — Zie ook: krocht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grot znw., sedert de 17. eeuw. Evenals nhd. grotte v. uit it. grotta, ndl. grot wellicht via fr. grotte. It. grotta uit vulgairlat. crŭpta = crypta > gr. krúptē “kelder, hol”. Zie krocht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grot v., over Fr. grotte, uit It. grotta, van Mlat. gruptam (-a), Lat. crypta, Gr. krúptē = verborgen kelder, een afleid. van krúptein = verbergen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

grot s.nw.
Onderaardse ruimte.
Uit Ndl. grot (1600). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Grotte (15de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grot (Frans grotte)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Grot van ’t It. grotta, ’t Fr. grotte en dit van ’t Lat. crypta, Gr. krupta, van kruptein = verbergen. Vgl. ook ons krypt: onderaardsche kapel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grot onderaardse ruimte 1600 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut