Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grossier - (groothandelaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grossier zn. ‘groothandelaar’
Mnl. grossier ‘groothandelaar’ [1393; Stall. I]; vnnl. grossier, int gros vercooper ‘handelaar in het groot’ [1573; Thes.], grossier, een groot handelaar [1668; WNT], maar ook nog lang grossier ‘geregeld handelaar in het algemeen’, in een vercooper, een grossier [1552; WNT verkooper], veel lyever ... bij een coopman ... als bij een winckelhouder off grossier ‘liever bij een (ambulant) koopman dan bij een winkelier of grossier’ [1628; WNT winkelhouder].
Ontleend aan verouderd Frans grossier ‘handelaar in het groot’ [1305; Rey], dat een afleiding is van gros ‘grote hoeveelheid’ of misschien ook is ontleend aan middeleeuws Latijn grossarius, grosserius ‘groothandelaar, winkelier’, afleiding van Laatlatijn grossus. In beide gevallen, zie verder → gros.
In het Middelnederlands bestond ook de vorm grosser ‘hij die iets in het groot doet’, in der sonden grosser ‘hij die grossiert in zonden’ [eind 15e eeuw; MNW]; deze vorm komt overeen met Engels grocer ‘kruidenier, handelaar in levensmiddelen’ [1578; BDE], eerder ‘groothandelaar in wijn, kruiden, levensmiddelen’ [1344; BDE], eveneens < Frans grossier.
Grossier is in het NN gebruikelijker dan in het BN, maar het gewone woord is in beide taalvarianten groothandel(aar), hoewel spreektalig in het BN ook grossist.
grossieren ww. ‘in grote hoeveelheden verzamelen’. Mnl. grosseren, grossieren ‘in het groot verkopen’, in het MNW slechts in één onduidelijk citaat: vruyt ende gegrossierde bladeren [voor 1460; MNW]; vnnl. in de vorm grosseren in het grosseeren van ... sout ‘in het groot handelen in zout’ [voor 1700; WNT grosseeren]; nnl. uitzetten, slijten, grossieren [1929; WNT grosseeren], in de 20e eeuw komt de betekenis ‘in grote hoeveelheden verzamelen, hebben, vertonen’ op, in Dalton grossiert in zessen ‘Dalton scoort een groot aantal malen zes punten (bij cricket)’ [1935; Vaderland], hij grossiert in gratuite beloften [1990; NRC], het lopende band spul waar Hollywood ... in grossiert [1991; Algemeen Dagblad], Rode Ster grossiert in landstitels [1991; NRC]. Afleiding van grossier.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grossier [groothandelaar] {1485} van middelnederlands gros(se), in gros [in het groot] < frans gros (vgl. gros1).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grossier
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grossier ‘groothandelaar’ -> Indonesisch grosir ‘groothandelaar’; Jakartaans-Maleis gerosir, grosir ‘groothandelaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grossier groothandelaar 1485 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut