Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gros - (het grootste deel; twaalf dozijn)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gros zn. ‘het grootste deel; 144 stuks’
Mnl. gros(se) ‘hoofdzaak, inhoud in hoofdtrekken’, in in gros geseit ‘in grote lijnen gezegd’ [ca. 1350; MNW], bi den grosse dat ic blive ‘ik beperk met tot de grote lijnen’ [ca. 1440; MNW], ook al in de verbinding in gros, in grosse(n) ‘in het groot’, in soo wie eneghe wine ... vercoopt in grossen ‘wie wijn in het groot, en gros, verkoopt’ [1450-1500; MNW]; vnnl. en gros ‘in het groot’ in verkoopende int gros ‘en gros verkopend’ [1569; WNT zegen II], de wagens in gros ‘een zeer grote groep wagens’ [1602; WNT Aanv. distantie], gros ‘merendeel’ in t' grosse van den Romainen ‘het grootste deel van de Romeinen’ [1614; WNT], ‘12 dozijn’ in tinneplaet knoopjes à 20 st. 't gros ‘tinnen knoopjes à 20 stuivers het gros’ [1689; WNT winkel I], met zes grossen ‘met 6 gros tegelijk’ [1751; WNT]; nnl. ook ‘de grote hoop, Jan en alleman’, in menschen, die zich ... van het gros poogen te onderscheiden [1785; WNT].
Ontleend aan Frans gros ‘het belangrijkste deel’ [1531; Rey], eerder al ‘grote hoeveelheid’ in de verbinding en gros ‘in het groot’ [1200-50; Rey] en gros ‘het dikste deel’ [1080; Rey], substantivering van gros ‘groot, omvangrijk’ [1080; Rey] < Latijn grossus ‘dik, groot’ [1e eeuw; Rey], later ook ‘ruw, lomp’, waarvan de herkomst onduidelijk is. In de betekenis ‘12 dozijn, 144 stuks’ ontleend, al dan niet via Frans grosse ‘id.’, aan middeleeuws Latijn grossa ‘id.’ [13e eeuw; Rey], een substantivering met gespecialiseerde betekenis van het bn. grossus ‘groot, omvangrijk’.
Mogelijk is grossus een variant van Latijn crassus ‘dik’, waarvan de verdere herkomst ook onbekend is (Rey). Misschien is grossus verwant, maar ook hier vormt de -o- een probleem, met Welsh en Bretons bras ‘dik, groot, lomp’, bij pie. *gwretso- (IEW 485), uitbreiding van *gwreh2- ‘zwaar’ (IEW 476) (BDE), zie → gravitatie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gros1 [de meeste(n)] {in gros [in het groot] 1451-1500} < frans gros [groot, aanzienlijk] < latijn grossus [dik].

gros2 [het grootste aantal, twaalf dozijn] {1670} < frans douzaine grosse [een groot dozijn], gros [groot] < laat-latijn grossus [dik]. De stofnamen gros de Naples, Gros de Tours [zware zijden stof, gefabriceerd te Napels resp. te Tours] < frans gros < laat-latijn grossus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gros 1 znw. o. ‘het grootste aantal’ afgeleid van mnl. gros ‘grof, groot, zwaar’ < fra. gros < lat. grossus ‘dik’. Mnl. gros, grosse bet. ‘de inhoud in hoofdtrekken’.

gros 2 znw. o. ‘12 dozijn’ < fra. grosse voor douzaine grosse ‘groot dozijn’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gros I (de groote menigte) znw., o. ʼt O. van mnl. gros “grof, groot, zwaar” (< fr. gros > lat. grossus “dik”); mnl. gros(se) komt reeds als znw. o. niet de bet. “de inhoud in hoofdtrekken” voor en in in gros “in ʼt groot”, waarbij zich mnl. grossêren “in het groot schrijven, in het groot verkoopen” aansluit. Vgl. ook grossier znw. uit verouderd fr. grossier (waaruit ook hd. grossirer m. > de. grosserer).

gros II (12 dozijn) znw., o. Nnl. uit fr. grosse (voor douzaine grosse “groot dozijn”; zie verder gros I).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gros 1 o. (groote hoop, zaak in ʼt ruwe), uit Fr. gros, van Lat. grossum (-us) = dik + Ier., We.. bras.

gros 2 o. (12 x2), uit Fr. grosse, dat wellicht teruggaat op Hgd. das grosze hundert.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gros (Frans (douzaine) grosse)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gros ‘twaalf dozijn’ -> Duits Gros ‘twaalf dozijn’; Zweeds gross ‘twaalf dozijn’; Indonesisch geros, gros ‘twaalf dozijn’; Jakartaans-Maleis geros ‘twaalf dozijn’;? Menadonees geros ‘groot’; Japans gurosu ‘twaalf dozijn’; Papiaments gròs ‘twaalf dozijn’.

gros ‘munstuk’ -> Schots † gros ‘Vlaamse munt’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

dozijn. Het telwoord dozijn voor 'een twaalftal' gaat uit van het twaalftallig stelsel, dat het Nederlands niet kent. Het woord dozijn heeft het Nederlands dan ook in de dertiende eeuw uit het Frans geleend. In de zeventiende of achttiende eeuw heeft het Nederlands het woord op zijn beurt uitgeleend aan andere talen: in het Noors als dusin (kan ook teruggaan op het Middelnederduits), in het Singalees als dusima, in het Indonesisch als dosin, in het Sranantongo als dusen (of is het uit het Engels?) en in het Papiaments als dosein, dozein. In het Indonesisch komt dosin nog steeds voor, maar gebruikelijker is de verbastering losin, lusin; 'een dozijn sigaren' is sedosin of selusin cerutu.

Ook de benaming gros voor twaalf dozijn heeft het Nederlands ontleend aan het Frans. Het Franse grosse is een verkorting van douzaine grosse, letterlijk 'een groot dozijn'. Het Nederlands heeft dit woord wordt pas in de achttiende eeuw overgenomen. En ook dit woord is via het Nederlands terechtgekomen in het Indonesisch (als gros), in het Papiaments (als gròs) en in het Japans (als gurosu). In het Indonesisch is één gros eieren satu gros telur.

Het woord is tevens overgenomen door het Duits: Gros is de aanduiding van een bepaalde hoeveelheid handelswaar. Het woord is momenteel aan het verouderen. De spelling en de uitspraak met een korte o bewijzen dat het Nederlands de intermediair is geweest: anders zou het woord Groß hebben geluid.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gros telwoord: twaalf dozijn 1745 [MEY] <Frans

gros het grootste aantal, de meeste(n) 1832 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut