Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

groots - (prachtig, luisterrijk; trots)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

groots bn. ‘prachtig, luisterrijk; trots’
Mnl. grootsch alleen in de betekenis ‘trots’, in hoverdich ende grootsch ‘hovaardig en trots’ [1485; MNW]; vnnl. grootsch, grootsigh ‘luisterrijk, verheven, prachtig’ [1599; Kil.], maar ook nog ‘trots’, in groots en trots ‘hovaardig en trots’ [1610-19; WNT].
Afleiding met bijvoeglijke → -s van → groot in de betekenis ‘aanzienlijk, geweldig’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

groots bnw., mnl. grootsch ‘trots’, oostfri. grōtsk, fri. grutsk ‘trots’. Bij Kiliaen bet. het woord ‘luisterrijk, verheven’.

Het suffix -iska duidt vaak een zedelijke eigenschap aan, zoals mnl. wreensch, wrensch ‘tochtig’, ohd. tulisc ‘dwaas’, altisc ‘oud’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grootsch bnw., mnl. (zeldzaam) grootsc “trotsch”. In deze bet. schrijft men nnl. ook phonetisch groos. Oostfri. grôtsk, fri. grutsk in dezelfde bet. De bet. “luisterrijk, verheven” heeft grootsch sedert Kil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gruuts (bn.) trots; Middelnederlands grootsch <1485>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

groos: vir baie Afr. sprekers is groos, “trots”, en groots, “indrukwekkend”, doeb., terwyl groos vir sommige net “trots”, maar groots sowel “indrukwekkend” as “trots” bet., so ong. ook by WAT; in ouer Ndl. nog “groot (“trots”) op iets, hoewel reeds Mnl. grootsc(h) in bet. “trots” ken en dit blb. eers sedert Kil in bet. “luisterryk” gebr. is; sedertdien egter min of meer soos in Afr. groots, “indrukwekkend; luisterryk” en groots/groos (“in de gemeenzame spreektaal”) in bet. “trots”.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Grootsch en meesleepend wil ik leven! [dichtregel] (1929). De dichter Hendrik Marsman (1899-1940) publiceert in 1929 het gedicht ‘De grijsaard en de jongeling’. De eerste regel van dit gedicht wordt een gevleugelde zin: “Grootsch en meesleepend wil ik leven!”

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2518. Grootsch (of hoog) in zijn wapen zijn.

‘Eigenlijk van iemand die zich op zijn adellijke afkomst verheft; vervolgens grootsch in het algemeen’. Zie Winschooten, 35: Breed voor de Borst, groots in sijn waapen sijn; Vondel, Virg. II, 197: Daer leit Orodes, die zoo hoogh in zyn wapen, en een ontzaghelyck lidt van 't heir was; Lucifer, vs. 870: Weest zoo trots en hoogh niet in uw wapen; Hooft, Ned. Hist. 201; Brieven, 363: De vyandt is volle hoog in zijn waapen; Plaiz. Kyv. 26: Zyt gy dan noch zo groots in uw wapen; Winschooten, 284; Tuinman I, 37; Spect. VII, 59; Halma, 766: Hij is groots in zijn wapen, hij is van groote inbeelding, il s'imagine être quelque chose de grand; Sewel, 938: Groots op zyn wapen zyn (opgeblazen, verwaand zyn), to be proud, vain; Langendijk, Wiskunstenaars, bl. 92 (Pantheon): Hij is grootshartig in zyn wapen; syn. groot in de wapens zijn (Ndl. Wdb. V, 1055). Ook in gunstigen zin bij Cats II, 192: Haar Vader een man wesende op sijn eere staende, en hoogh in sijn wapen doet den lincker (onteerder zijner dochter) by den kop grijpen. Zie verder het Ndl. Wdb. V, 1132; De Bo, 510; Rutten, 95; Schuerm. Bijv. 126: hoog in iemand of in iets zijn, van iemand of iets een zeer goed gedacht hebben, er fier op zijn, er geerne met lof, met voldoening van spreken of hooren spreken; Waasch Idiot. 731: ze staan te hoog in de wapens, ze zijn te hooveerdig, ze voeren pracht boven hunnen staat. In het Land van Aalst hoort men nog dagelijks: hoog in de wapens, en laag van stam of groot in de wapens, en klein in den zak, in de beurs, van min of meer geringe burgers, die zich door hun uiterlijk vertoon heel wat hooger willen plaatsen dan ze werkelijk staan (De Cock1. 20; Joos, 87; 149). (Aanv.) Vgl. voor hoog = trotsch, fier, Mnl. Wdb III, 563.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut