Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

groot - (munt)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

groot2 [munt] {groot, grote 1288} < latijn (denarius) grossus [dikke (penning)]; nadat tot in de 13e eeuw lang in Europa vrijwel alleen penningen waren geslagen, kwam de behoefte op aan zwaarder zilvergeld. In Venetië sloeg men de grosso, in Frankrijk de gros, in de Nederlanden de groot, in Duitse gebieden de Groschen, in Engeland de groat (vgl. groschen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

groot 2 znw. m. ‘muntnaam’, mnl. grôte, groot ‘halve stuiver’, mnd. grōte, owfri. grāta, graet (> ne. groat ‘vierstuiversstuk’ sedert 1362). Het beantwoordt aan fra. gros, ital. grosso, mlat. grossus (eig. het bnw. voor ‘dik’) > mnd. gros, grosse, nhd. groschen (E. Schroder, Hansische Geschichtsblätter 1926, 196 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

groot II (munt), mnl. grôte, groot m. “groot, halve stuiver”. = de muntnamen mnd. grôte, owfri. grâta, graet m. Eng. groat “vierstuiverstuk” is ontleend. Opgekomen onder invloed van de muntnamen fr. gros, it. grosso, mlat. grossus (oorspr. = ʼt gelijkluidende bnw. met de bet. “dik”), waaruit mhd. gros, grosse m., nhd. groschen m. ontleend is.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

groot II (munt). Over de verbreiding van deze muntnaam van de Nederlanden uit naar Engeland en Nederduitsland zie E. Schröder Hansische Geschichtsblätter 1926, 196 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

groot 2 m. (halve stuiver), Mnl. grote, uit Mndd. id. = een groote penning: vergel. Hgd. groschen, Fr. gros. Het Meng. grote (thans groat) ook uit het Ndd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

groot ‘oude munt’ -> Engels groat ‘oude munt’; Schots great, grete, gret, grit, gryte, grait, grat, girt, grotkin ‘Vlaamse munt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

groot* munt 1288 [CG I2, 1330]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut