Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grond - (aardoppervlak, direct aan het aardoppervlak gelegen materiaal; grondslag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grond zn. ‘aardoppervlak, direct aan het aardoppervlak gelegen materiaal; grondslag’
Mnl. gront, oostelijk grunt ‘bodem, grond’ [1240; Bern.], ook in diverse overdrachtelijke betekenissen, zoals ‘het diepe, het onderste deel, het diepste van het gemoed’: in des kerkers grunde ‘in de diepte van de kerker’ [1220-40; CG II, Aiol], eer hi nederquam te gronde ‘voor hij op de grond viel’ [1260-80; CG II, Wr.Rag.], sincken in den gruont van der see ‘verzinken in het diepste van de zee’ [1270-90; CG II, Moraalb.], te gronde ghehoirsam ‘volkomen gehoorzaam’ [1461; MNW]; nnl. grond, ook ‘fundament, bewijs, goede reden’ in ontwerpen zonder grond ‘ongefundeerde theorieën’ [ca. 1720; WNT zetel], twyffelen wy ... niet zonder grond aan al die verhaalen ‘niet zonder goede reden’ [1724; WNT twijfeling].
Os. grund ‘grond, bodem’, ohd. grunt (nhd. Grund); ofri. grund (nfri. grûn) oe. grund ‘grond, bodem’ (ne. ground); nzw. grund; got. grundu-waddjus ‘grondslag, fundament’; < pgm. *grundu- ‘grond, bodem’; daarnaast on. grunnr ‘zeebodem’ en bn. grunnr ‘ondiep’; < pgm. *grunþu-.
Verdere etymologie onduidelijk. Men denkt wel aan verband met de wortel pie. *ghren- ‘wrijven’ (IEW 459, zie → grut), met de uitbreiding -dh- zoals in → grind; semantisch veronderstelt dit dat men de grond/bodem zou hebben gezien als stukgewreven, gemalen materiaal. FvW zoekt verband met Litouws gramzdùs ‘grote diepgang hebbend’, Lets grimt ‘zinken’, waarin de verbinding -m-t- overeenkomt met Germaans -n-þ-.
Uit de grondbetekenis ‘grond, bodem’ ontwikkelden zich overdrachtelijke betekenissen als ‘het onderste, het diepste van iets’ en ‘de grondslag waarop iets rust’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grond* [bodem] {gront 1220-1240} oudsaksisch, oudfries, oudnoors, oudengels grund (engels ground), oudhoogduits grunt, gotisch grundu-, mogelijk samenhangend met grind2. De uitdrukking een dichter van de koude grond [een dichter van weinig waarde] is ontleend aan de tuinbouw. Het kweken in de kas geschiedt zorgvuldiger dan op de koude grond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grond znw. m., mnl. gront, os. ofri. oe. grund, ohd. grunt, got. grundu- < westgerm. *grunðu naast *grunþu in on. grunnr.

Indien men uitgaat van een bet. ‘zand, zandbodem’, dan is de verbinding met grind zeer aannemelijk (IEW 459). Maar het is niet zeker dat grond deze bet. gehad heeft. — De verbinding met lit. grindìs ‘plank’, die FW 218 afwijst, is weer te berde gebracht door J. Trier, Nachr. Ges. Wiss. Göttingen NF 3, Nr. 4, 1940, 93, die uit wil gaan van ‘een landstuk dat in gebruik genomen is’ (dus niet grond in het algemeen); zulk een stuk land moest door een hek of heining worden afgescheiden; vandaar de verbinding met on. grind ‘hek, traliewerk’ (zie verder: grendel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grond znw., mnl. gront (d) m. = ohd. grunt (nhd. grund), os. ofri. ags. grund (eng. ground) m., got. grundu- (in samenst.) “grond”, waarnaast *ʒrunϸu) in on. grunnr m. “id.”, grunnr bnw. “ondiep”; nd in grund v. “vlak veld”, dat zonder voldoenden grond wel van de andere woorden gescheiden wordt. Waarschijnlijker dan de combinatie met grind (idg. *ghren-tu-: ghren-dh-) is die met lit. gramzdùs “grooten diepgang hebbend”, lett. grimstu, grimt “zinken” (-m-t- > germ. -nϸ-, -nð-; vgl. schande). De combinatie met lit. grindìs “plank” is onwsch. (vgl. grendel).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grond m., Mnl. id., Os. grund + Ohd. grunt (Mhd. id., Nhd. grund), Ags. grund (Eng. ground), Ofri. grund, On. id. (De. en Zw. id.), Go. in samenst. grundu- + Lit. gramzdùs = grooten diepgang hebbende, Lett. grimstu = zinken. In ʼt Germ. werd m tot n vóór de d van ʼt suffix.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

groond (zn.) grond; Vreugmiddelnederlands gront <1220-1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1grond s.nw.
1. Oppervlakte van die aarde, bodem. 2. Aardkors, boonste gedeelte. 3. Onderste vlak van iets, bodem. 4. Dit waarop iets steun of gevestig is. 5. Diepste wese.
Uit Ndl. grond (Mnl. gront). 'n Germ. woord waarvan die oorspr. bet. nog nie bevredigend verklaar is nie.
D. Grund, Eng. ground, Sweeds grund.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

grond (de, -en), 1. (veroud.) plantage in beperkte zin, dus het met plantagegewassen (d.w.z. voor de export) beplante gedeelte (i.t.t. delen met voedingsgewassen voor eigen gebruik, met bedrijfsgebouwen e.d.). Ik zal je dat Werk wel wyzen*, het is niet kwaad, de Meiden* in het huis hebben het altyd beter als in de Grond, zy Eeten lekker Eeten en zy Slaapen by myn; is dat geen goeije Zaak? (Pieter van Dyk, 2e helft 18e eeuw, cit. volgens Lichtveld & V. 229). - 2. (veroud.) deel van plantage beplant met één bepaald plantagegewas. Een grog of soopie*, Master Vonker? vroeg hij [de plantage-eigenaar] met heesche stem. - Liefst een weinig wachten, Sir! was het antwoord. Wij moesten de gronden eens ingaan... en dan... met genoegen (van Schaick 1866: 181). Samenst. bijv. suikergrond (van Schaick 1866: 134). - 3. stuk grond behorende bij een plantage, in gebruik voor verbouw van voedingsgewassen en/of teelt van vee voor de eigen voedselvoorziening en die van de rest van Suriname. De plantage met de daarbij behorende gronden beslaat een oppervlakte van plus minus 2500 hectare () (Waller 55). Samenst. bijv. tajergrond (P.F. Roos 1804, in Lichtveld & V. 208: teyergrond). - 4. boerenbedrijf waar verbouw van voedsel en veeteelt plaats heeft ten behoeve van de voedselvoorziening van Suriname, wel of niet verbonden met een plantage. Het drukste verkeer [in Paramaribo] heeft plaats aan de Waterkant*, waar de schepen laden en lossen, waar de vaartuigen van de plantages en gronden aanleggen en waar ook de kramen der Syriers*staan (Enc.NWI. 551). - 5. permanente akker van particuliere landbouwer, beplant met één gewas (of meer) bestemd voor de verkoop. (In deze zin ook een agrarisch-rechtelijk begrip: zie Grondjesverordening*.) Ook: grondje. Samenst. bijv. cacaogrondje: Onder deze producenten waren Creolen*, vakkundige landbouwers*, die in een verbeten strijd tegen rivier- en boswater* alsook ongedierten, hun bloeiend cacaogrondje ontwoekerd hadden aan het oerwoud (Waller 128). - 6. permanente akker of moestuin van landbouwer of andere particulier, beplant met gewassen voor eigen gebruik. Door de dag heen hadden ze gewoonlijk geen tijd voor vriendschapbetoon want dan zwoegje Peetje* Marie onder de stekende zon op de grond (B. Ooft 1969: 21). I.h.a.: grondje. - 7. tijdelijke akker of moestuin van boslandbewoner* of andere particulier, beplant met gewassen voor (voornamelijk) eigen gebruik, deel uitmakend van een systeem dat ’zwerfbouw’ (grondjescultuur*, E shifting cultivation) genoemd wordt; ’zwerfbouwperceel’. I.h.a.: grondje. De meeste bewoners der dorpen [van Bosnegers*] zijn op het ogenblik niet thuis maar op hun grondjes om het land plantklaar te hebben, wanneer de regens invallen (Stahel 1927: 12). - Etym.: Het WNT (1980) levert geen aanwijzingen, dat in het Ned. van Europa ooit ’grond’ gebruikt is met een lidwoord en dan betrekking hebbend op een bepaald, beperkt stuk grond, zoals in alle hier genoemde bijzondere bet. in het SN wel het geval is. Daarentegen: E ’ground’ kon tot 1733 een dergelijk stuk land betekenen (Onions); nu alleen nog in combinaties, zoals ’cricket ground’ (ten Bruggencate). In het E van Guyana en Westindische gebieden bet. het echter nog ’stuk bebouwd land’ (C&L). S ’gron’ heeft heden dezelfde bet. als 5, 6 en 7. Oudste vindpl. van 1: cit. (tevens enige vindpl.); van 2: cit.; van 3 Hartsinck 1770: 757; van 7 1768 (zie De Beet 79). Synoniemen: Grondje* wordt gebr. voor bet. 5, 6 en 7. Kostgrond* is syn. voor 3 en 4, kostgrondje bovendien voor 6 en 7. Syn. voor 4 (indien zelfstandig bedrijf) zijn of waren kostplantage*, broodgrond* en kweekgrond*. - Zie ook: houtgrond*, visgrond*. - Opm.: In 1896 bepaalde het bestuur, dat voor statistische opgaven grond kleiner en plantage* groter was dan 25 ha.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Heilige grond, gewijde plaats; ruimer: plaats of terrein met een bijzondere waarde voor iemand, plek die niet aangetast mag worden.

Het is niet zeker maar ook niet uitgesloten dat de volgende bijbelplaats ten grondslag ligt aan deze uitdrukking. Het betreft de geschiedenis van de roeping van Mozes bij het brandende braambos. God roept Mozes vanuit de braamstruik, en als deze dichterbij komt klinkt het: 'Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond' (Exodus 3:5, NBG-vertaling; de NBV heeft 'de grond waarop je staat is heilig). Daarna maakt God zich bekend en ontvouwt hij zijn plannen om door Mozes het joodse volk uit Egypte te bevrijden.

Leidse vertaling (1899-1912), Exodus 3:5. Jahwe zeide: Treed niet nader. Ontschoei uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilige grond.
Op deze heilige grond [voetbalveld RC Oost-Souburg] speelde hij [Danny Blind] zijn eerste wedstrijd. (NOS-Journaal, 5-8-1999)
Ik [zou] graag de kussens van de banken halen, dat zou de akoestiek ten goede komen [van het Groot Auditorium van het Academiegebouw in Leiden]. Maar dat zal wel onbespreekbaar zijn, ze zijn net nieuw en dit is natuurlijk heilige grond voor de universiteit. (Mare, 22-4-1999, p. 19)
Er [in Maassluis] zijn wel mooie plekjes, maar geen honderd zoals in Amsterdam. Laten we zeggen: drie. Maar voor mij is het heilige grond, aan elke straathoek kleeft een herinnering. (M. $t Hart in Volkskrant Magazine, 11-9-1999, p. 11)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

grond. De verwensing zak in de grond weg! heeft als gevoelswaarde ‘ik ben woedend, verontwaardigd over je gedrag of handelswijze, ik veracht je en wil niets meer met je te maken hebben, hoepel op’. → zakken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grond ‘bodem’ -> Ests krunt ‘bodem’ (uit Nederlands of Duits); Russisch † grunt ‘land dat onder water gelegen is, bodem van het water’; Negerhollands grond, gron, grun ‘bodem, veld, aarde, akker’; Berbice-Nederlands grondo ‘bodem’; Sranantongo gron (ouder: grunn) ‘stuk land, bodem’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grond* bodem 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

970. Alle hout is geen timmerhout,

d.w.z. niet ieder is voor een bepaald doel geschikt; men kan voor iets niet iedereen gebruiken; alle grond is geen akkergrond (Harreb. I, 15). Bij Winschooten, 88, lezen we: ‘Alle Hout en is geen Timmerhout, dit werd gepast op iemand, die tot eenige saak, daar men hem gaarn toe soude gebruiken, niet bequaam is’; zoo ook Tuinman I, 299; Bergsma, 9. In het Latijn zeide men: non ex omni ligno debet Mercurius exsculpi; in onze taal: alle hout en is niet goet tot spillen (Smetius, 130) of alle hout is gheen pijlhout (of geen lepelhout), dat overeenkomt met het fr. tout bois n'est pas bon à faire flèche; hd. es läszt sich nicht alles Holz zu Bolzen drehen; nicht jedes Holz ist Löffelholz; eng. every reed will not make a pipe; fri. alle hout is gjin timmerhout. In Zuid-Nederland volgens De Bo, 624 en Teirl. II, 208: al hout en is geen lepelhout, maar ook alle hout is geen timmerhout of pijlhout (Joos, 182). Vgl. ook van het hout gesneden zijn, geschikt zijn voor iets (Dievenp. 162: Dat je daaraan net zoo goed merken kunt of de rechercheur uit 't goeie hout is gesneden), synoniem van van het hout zijn, waarvan men iets maakt of waaruit men iets snijdt; zie Het Volk, 23 Mei 1914, p. 9 k. 3: Het was een ferme arbeider, gesneden uit het hout, waaruit de stoere strijders worden gemaakt; Harreb. I, 337: Zij zijn uit hetzelfde hout gesneden (hd. vom selben Holze; eng. of the same block); Wander II, 760: Er ist vom Holz, woraus man Minister macht. In 't fr. être du bois dont on fait un général. (Aanv.) Voeg bij Je suis du bois dont on fait les violons, ik ben met alles wat men voorstelt tevreden, het is mij gelijk.

1261. Van den kouden grond,

in eene zegswijze als: een dichter, een philosoof van den kouden grond, d.i. van weinig beteekenis. Het beeld is ontleend aan den tuinbouw, waar men onder den kouden grond verstaat den onbeschutten moes- of tuingrond in tegenstelling van kunstmatig verwarmd terrein, een trekkas, een broeikas. In de laatste worden bloemen en vruchten met zorg gekweekt; in de open lucht, op den kouden grond wordt er minder zorg aan besteed. Vandaar wordt in oneigenlijke toepassing van den kouden grond gezegd van personen, die niet goed onderlegd of voorbereid zijn, aan hunne ontwikkeling niet alle zorg hebben besteed; onbeduidend in hun soort zijn: pooverNdl. Wdb. V, 959.. Vgl. Harreb. II, LXXXIII: Het is een Latinist van den kouden grond; Lvl. 89: De zanger van den kouwen grond; Falkl. IV, 110: Zulk een kwibus, zulk een komiek van den kouden grond te begeleiden was moordenaarswerk; Het Volk, 17 April 1914, p. 2 k. 3: De eerste de beste ouderling te beslissen over een inzicht op grond van jarenlange akademische studie. Dit is inderdaad wel een ‘kultuur van den kouden grond’; Nkr. IX, 26 Juni p. 6: Mijnheer Chagrijn was anti-revolutionair. Booze tongen vertelden, dat-ie 'n anti van den kouden grond was, omdat ie niet in de kerk kwam. - Dat ook de eerste beteekenis ‘niet gekweekt’, ‘van nature’ nog gevoeld wordt, blijkt uit hetgeen W. Kloos van Mr. C. Vosmaer zegt: ‘Als ik met éen woord moest zeggen, wat Vosmaer voor een dichter is, dan zou ik zeggen, dat hij een kunstdichter is. Niet in den zin, zooals men kunstlicht en kunstboter, en kunstbeenen heeft. Want een kunstdichter is toch après tout een dichter, die echt is; alleen maar is 't geen dichter van den kouden grond. 't Is een ongemeene plant, gekweekt in de kassen, van een gladde reinheid en sierlijke deftigheid, maar die dan ook de frissche groening en zelfsgewilde uitgroeiing mist van de vrijtierende planten in de buitenlucht.’Veertien jaar Literatuur geschiedenis (anno 1896) II, 64. In het Westvlaamsch spreekt men van: een filosoof uit een helletje erwten (De Bo, 419 b); in Friesland: in spul fen kâlde foetten.(Aanv.) In de 18de eeuw: een huishoudster op schillen, een slechte huishoudster. Zie Ndl. Wdb. XIV, 652.

2531. Stille waters hebben diepe gronden,

d.w.z. ‘in (of achter) lieden, die zich weinig uitlaten, zit (steekt) dikwijls meer dan men naar den uiterlijken schijn vermoeden zou. Vaak gebezigd met betrekking tot of in toepassing op min gunstige eigenschappen (arglistigheid, dubbelhartigheid, valschheid en derg.)’; Ndl. Wdb. V. 934. Dit spreekwoord komt, zooals Wander IV, 1813-1814 aantoont, in zeer vele Europeesche talen voor. Voor het Latijn vgl. Cato, Dist. 4, 31: quod flumen placidum est, forsan latet altius unda of altissima quaeque flumina minimo sono labuntur; non credas undam placidam non esse profundam (Werner, 56); gri. σιγηρου ποταμου τα Βαθη γυρευε (Krumbacher, 71); sigma;ιγηρος ποταμος κατα γην Βαθυς. Voor onze taal zie Dist. Cat. bl. 49:

 Die ghene die zwighen ende lettel spreken,
 Si conen vele quader treken;
 Men seit: die vloet, die stille staet,
 Soe es dieper dan die harde gaet.

Campen, 107: Stille wateren hebben diepe gronden; Spieghel, 279; Vondel, Jos. in Egypte, vs. 1260; Cats I, 458; 459:

 Ick heb het met 'er daet bevonden,
 In stille waters diepe gronden.

Van Moerk. 80; Winschooten, 347: Stille waaters hebben diepe gronden, het welk oneigendlijk beteekend, luiden die stilzwijgen, die weeten meer, als die geen die veel praats hebben: en in quaader sin: sij sien of sij geen vijf tellen konden, en sij hebbender wel tien in de mouw: sij hebbense (seggen sommige) agter haar ooren; De Brune, Bank. I, 108; 152; Starter, 420; Mergh 55; Paffenr. 95; Plaiz. Kyv. 26. Zie verder Tuinman I, 150; C. Wildsch. III, 39; Adagia, 2: alle stille waterkens hebben diepe gronden, simplex appatet, simplicitate caret; Halma, 768; Adagia, 59: stille waterkens hebben diepe grondekens; Sewel 940: Stille waters hebben diepe gronden, standing waters have muddy bottoms or are dangerous; silent men are thinking men, and not easily sonded or pumped; Harrebomée I, 261; Nederland, Aug. 1914, p. 462: En thuis zei hij geen woord meer dan noodig was: Stille wateren hebben diepe gronden; afrik. stille waters diepe grond, onder draai die duiwel rond; Eckart, 555; De Bo, 1372; Joos 147: stille waters hebben diepe gronden; hoe stiller water hoe dieper boôm; Antw. Idiot. 1420; Waasch Idiot. 630 b; 732 a: stille waterkens hebben diepe gronden; Ten Doornk. Koolm. III, 521; fri. stille wetters habbe djippe grounen; fr. il n'y a pire eau que celle qui dort; hd. stille Wasser sind tief; stille Wasser tiefe gründe; eng. still waters run deep.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal