Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

groente - (plantaardig voedsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

groente zn. ‘plantaardig voedsel’
Vnnl. die groente des hoys ‘de groene kleur van het gemaaide gras’ [voor 1550; WNT], om warremes ofte groentte te plucken ‘om warmoes of groente te plukken’ [1628; WNT warmoes], kreuckel bos en ander groente ‘kreupelhout en ander groen gewas’ [1658; WNT], bladeloos en zonder groente ‘zonder blad en zonder groen loof’ [1671; WNT], gelyck de osse de groente des velts opleckt ‘zoals de os het groen van het veld met de tong naar binnen werkt’ [1688; WNT]; nnl. ‘groen eetbaar gewas’ in fruyten en groente ‘vruchten en groente’ [1721; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -te van → groen; de betekenis ontwikkelde zich van ‘groene kleur’ en ‘dat wat groen is’ naar ‘groen gewas’ en ‘eetbaar gewas, plantaardig voedsel’.
Oostfries grönte ‘wat groen is, grasperk, groente’, nfri. griente ‘groente’.
Een oudere afleiding met dezelfde betekenis is groensel, zie → groen.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

groente

Alles wat de eigenschap heeft een groene kleur te bezitten is groente. Zo sprak men vroeger van de groente, het groen zijn, der boombladeren en nog dezer dagen schreef een krant: de groente van het grastapijt verbaasde de vreemdelingen. In de zeventiende eeuw is groente nog het gewone woord voor allerlei gewas met een groene kleur, dus voor bomen, struiken en planten. Het bos inwandelen was: in de groente treden. Later gebruikte men groente speciaal voor de eetbare groene plantedelen.

Dat was dus een verenging van de betekenis. Maar daarna onderging die betekenis weer een verruiming, want thans worden alle planten die men in de keuken gebruikt, groente genoemd tot rode kool en oranje wortelen toe. Alleen aardappelen zal niemand ooit groente noemen. Eigenlijk is dat onlogisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

groente znw., afl. van groen; mnl. (zelden) groente v. “groene kleur”. = oostfri. grö̂nte “het groene, grasperk, groente”, fri. griente “(soep)groente”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

groente s.nw.
Sekere plante, dele waarvan as voedsel berei kan word, of bereide voedsel van hierdie plante.
Uit Ndl. groente (1721 - 1722), 'n latere afleiding van groen (al Mnl.). Die oorspr. bet., selde in Mnl., was 'groen kleur, groenheid'. Uit hierdie abstrakte bet. ontwikkel 'n konkrete bet. 'dit wat 'n groen kleur het', veral van toepassing op die blare van bome en kruie, en nog later die bet. 'plantaardige voedsel vir mense', aanvanklik slegs vir eetbare groen voedsel, nog later op alle eetbare plantaardige voedsel, of dit groen is of nie. Reeds by Van Riebeeck in die bet. 'eetbare groenigheid', bv. veldsuring (5 April 1652, 5 Januarie 1659) (Van der Merwe 1969: 257).
Vgl. Eng. greens.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

groensel ‘(gewestelijk) groente’ -> Negerhollands groensel, gruunsel ‘groente’.

groente ‘groenvoer’ -> Duits dialect Gröönte, Groente ‘groenvoer’; Sranantongo gruntu ‘groenvoer; groenteman’; Aucaans goeloentoe ‘groenvoer’; Saramakkaans gulúntu ‘groenvoer’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

groente* groenvoer 1721 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut