Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

groeien - (toenemen in grootte of omvang)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

groeien ww. ‘toenemen in grootte of omvang’
Onl. gruoien ‘groeien, floreren’ in in themo gardon allerslahta krud gruoient ‘in de tuin groeien allerhande kruiden’ [ca. 1100; Will.]; mnl. grujen ‘groen worden; uitschieten, gaan groeien; floreren’ [1240; Bern.], welna al dat iaer groiet ‘bijna het hele jaar groeit / groen blijft’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ook overdrachtelijk ‘toenemen’, in van allen doeghden groyde ‘toenam in alle deugden’ [1276-1300; CG II, Lut.A], groeyen, gedyhen ‘in bloei zijn, groeien’ [1477; Teuth.]; vnnl. groeyen ‘groen worden, bloei krijgen als in de lente’ [1573; Thes.], groeyen, groenen ‘groen zijn, groen worden, blad schieten, bloeien; opgroeien, toenemen’ [1599; Kil.], mijn' quelling groeyt ‘mijn verdriet wordt groter, heftiger’ [1629; WNT].
Mnd. grōien ‘groeien’; ohd. gruoen ‘groen worden’; ofri. grōia ‘groeien’ (nfri. groeie); oe. grōwan ‘groeien’ (ne. grow); on. gróa ‘groeien’ (nzw. gro ‘id.’); < pgm. *grōan- (met secundaire intervocalische overgangsklank w of j).
Buiten het Germaans geen verwanten. Pgm. *grō- is te reconstrueren als pie. hroh1- (IEW 440, 454), maar wrsch. zijn de verwante woorden groeien, → groen en → gras (zie aldaar) substraatwoorden.
De oorspr. betekenis lijkt dus ‘groen worden’ te zijn. Daaruit ontwikkelde zich de betekenis ‘groei gaan vertonen’ en vandaar algemener ‘toenemen in grootte, omvang’ en overdrachtelijk ‘toenemen in frequentie, in intenstiteit’ etc. Het algemene Germaanse erfwoord voor ‘groeien’ was → wassen 2.
groei zn. ‘het toenemen in grootte of omvang’. Vnnl. groei ‘het groeien’ in de groey (der jonge teere spruyt) ‘1630-39; WNT], periode van groei of ontwikkeling’ in s' is noch in haer' groey ‘zij is nog in de groei’ [1667; WNT]; nnl. ‘ontwikkeling’ in een zelfstandigen groei van de film naast het tooneel [1929; WNT tooneel], ‘toename in getal, omvang, intensiteit etc.’ in de groei van de industrie veroorzaakte een sterke groei van het aantal ongeschoolde ... arbeiders [1947; WNT arbeider]. Afleiding van groeien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

groeien* [(in grootte) toenemen] {oudnederlands gruoient ca. 1100, middelnederlands gro(e)yen [groenen, groeien]} middelnederduits groien [groeien], oudhoogduits gruoen [groen worden], oudengels growan, oudnoors gróa [groeien]; alleen in het germ. bekend → groen. Voor de uitdrukking ergens in groeien [zich verheugen] vgl. middelnederlands groeyen in [genot van iets smaken, behagen scheppen in], mesten ende groyen [plezier hebben in].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

groeien ww., mnl. groeyen, grōyen, mnd. grōien ‘groeien’, ohd. gruoen ‘groen worden’, owfri. grōya, oe. grōwan, on. grōα ‘groeien’. — Een uitsluitend germaanse woordgroep, waartoe verder behoren: gras en groen.

Van groeien is afgeleid mnl. groede ‘aanwas van grond, die met gras begroeid is’ (vgl. de plaatsnaam Groede), mnd. grōde, grȯe, grō, oostfri. grōde, fri. groed, grede, greide.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

groeien ww., mnl. groeyen, groyen. = ohd. gruoen “groen worden”, mnd. grôien “groeien”, oofri. *grôwa (waarvan grôwinge znw. v.), owfri. grôya, ags. grôwan (eng. to grow), on. grôa “groeien”. Verdere combinaties dan met gras en groen zijn onzeker. De bet. van ohd. gruoen en van groen maakt een oorspr. beteekenis “groen worden” aannemelijk: dan kan grauw I verwant zijn. — Het znw. groei is eerst nndl; ook nnd en fri.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

groeien ono.w., Mnl. id. + Ohd. gruoen (Mhd. grüejen), Ags. grówan (Eng. to grow), Ofri. grówa, On. gróa (Zw. gro, De. gro), van Germ. wrt. grō, sterken graad van Germ. wrt. gra, waarvan met -s- suffix gras (z.d.w. en vergel. nog groen en groeze).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

greuje (ww.) groeien; Vreugmiddelnederlands gruoien <1100>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Groeien, van den Germ. wt. gro = wassen, groeien; verwant met groen en gras.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

groeien ‘(in grootte) toenemen’ -> Frans dialect groir ‘snoeien’; Kupang-Maleis garui ‘in grootte toenemen’; Menadonees grui ‘(in grootte) toenemen’; Negerhollands groei, goerri, guri, gurri, gruj ‘(in grootte) toenemen, volwassen worden’; Berbice-Nederlands grui ‘(in grootte) toenemen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

groeien* (in grootte) toenemen 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

644. Het geld groeit me niet op den rug,

d.w.z. ‘ik moet voor het geld hard genoeg werken, ik kom er zoo makkelijk niet aan.’ In de 17de eeuw voorkomende bij Smetius, 57: Het gelt wasst mij op den rugghe niet; Asselijn (ed. De Jager), 337:

Jou luie vod als je bend, en daar het ze me gisteren weer een mingeles bierkan ebrooken,
Ze kost me moy elf stuivers aan geld; wat mienje dat et geld mien op de rug wast?

Ook bij Tuinman I, 324 staat de zegswijze vermeld: 't Wast my op den rugge niet; vgl. nog Kalv. I, 158; Uit één pen, 143; Ndl. Wdb. XIII, 1585; Antw. Idiot. 463; Teirl. 465: t geld en groeit op mijne rugge (of op mijne kop) niet; Waasch Idiot. 243 b; fri. it jild waechset my net op 'e rêch; Wander I, 1519: das Geld fällt mir nicht aus dem Aermel, aus dem Arsche.

733. Ergens in groeien.

Evenals men van verdriet en tegenspoed vermagert, afvalt, zoo kan men van genoegen en plezier groeien. Vandaar dat het middelnederlandsche mesten (vetworden) ende groyen, pleizier hebben, in de 17de eeuw groeien eveneens zich verheugen kon beteekenen; zelfs werd soms aangegeven hoeveel men toenam in dikte; ergens een handdik spek of reuzel in groeien, dat nog wel gebruikt wordt (zie o.a. Boefje, 12; 142: Die kale floddermadam die had'r 'n hand dik spek in gegroeid). Thans gebruiken wij het meestal in den zin van zich verheugen in een anders leed, zich op hatelijke wijze verheugen. In het Oostvlaamsch zegt men: zich vetten, zich verheugen in iemands ongelijk (Schuermans, 809 a); vgl. het fri. hy dijt wol in foet yn 't fjouwerkant (vierkant).

940. Iemand over (of boven) het hoofd groeien,

d.w.z. langer worden dan hij; overdr. de baas worden; ook in kennis of wijsheid overtreffen; vgl. ontgroeien, ontwassen. Voor het overdr. gebruik van deze zegsw. in de 16de eeuw zie Sart. III, 6, 1: Een discipel wast sijn meester wel over 't hooft; IV, 12: Officere luminibus. Over 't hooft wassen, de eo, qui alterius gloriam obscurat. Zie verder Hooft, Ged. II, 365: Nu schijnt de minst des volx mij over 't hooft te wassen; Ned. Hist. 57: De welke zoo groot een aanzien en gezagh bejoegh, dat hy zynen stoelbroederen oover de kruin wies; Vondel, Salomon, vs. 1394; Lucifer, 465; De Brune, 471; Tuinman I, 90: Kinderen die boven 't hoofd zyn gewassen, zyn buiten bedwang. Voor Zuid-Nederland zie Joos, 83; Waasch Idiot. 294 b: boven iemands hoofd gegroeid of gewassen zijn, iemands gezag niet meer erkennen; Teirl. II, 173: boven iemand zijne kop gegroeid zijn; Antw. Idiot. 2242: boven iemands kop gewassen zijn, diens gezag niet meer erkennen; hd. einem über den Kopf wachsen; fri. immen oer 'e holle (of boppe de holle) groeie.

1192. Iemand met een kluit(je) in het riet sturen,

d.w.z. iemand met een mooi praatje afschepen, hem den mallen dijk opzenden (17de eeuw), hem met een santje uit de kapel zenden (zuidndl.). De zegswijze komt in de 18de eeuw voor in Willem Leevend V, 132 en VII, 341; verder bij Harreb. I, 148; Het Volk, 30 Oct. 1913, p. 5 k. 2: Dat de Raad als 't ware wordt afgescheept met allerlei praatjes, met een kluitje in 't riet wordt gestuurd; 3 Febr. 1914, p. 5 k. 2; 25 April 1914, p. 1 k. 4; De Arbeid, 31 Jan. 1914, p. 4 k. 2: De steller van genoemd artikel verwijt mijn broer dat hij met een kluitje in 't riet is gestuurd; Nkr. VII, 1 Febr. p. 4, enz.; Afrik. iemand met 'n kluitjie in die riet stuur. Misschien wil kluitje hier zeggen kleinigheid en vandaar eene nietige uitvlucht, een onbeteekenend praatje, zooals het 18de-eeuwsche klommerDe Jager, Frequ. II, 258. Mag hiermede het VI. klommel, klungel, vergeleken worden? en kakkerlakje; eig. een onbeduidend insekt, maar ook een ‘uitvlucht’; vgl. Sewel, 374: hy zogt het met een kakkerlakje (uitvlugtje) goed te maaken. In het riet sturen is van zich afduwen, op zij schuiven, zoodat de geheele zegswijze, op deze wijze verklaard, hetzelfde beteekent als het vroeger gebruikelijke iemand met een (soet) praatje afzettenAnderen denken aan het I7de-eeuwsche kluit(je) = grap(je), een woord dat in West-Vlaanderen en ook in het Kaap-Hollandsch in dien zin nog gebruikt wordt. Nog andere verklaringen vindt men in Noord en Zuid VII, 175; X, 349; Navorscher 53, 707.. Het is evenwel ook mogelijk dat men heeft willen zeggen: door 't gooien van een kluitje een schip naar den kant doen gaan; fig. iemand met een middel, dat er eigenlijk niet voor deugt en er niet geschikt voor is, toch op zij doen gaan, van zich afschuiven, iemand met een houtje van den kant duwen (Goeree en OverflakkeeN. Taalgids XIII, 132.), zoodat de zegswijze dan te vergelijken is met een (iemand) lubben met een beenen mesje, plumbeo jugulare gladio, est futili levique argumento convincere quempiam (Sart. II, 5, 85); iemand met een vossestaart het hoofd afzagen (zie Kluchtspel II, 153).

2355. Tegen de verdrukking in (of op)groeien,

d.i. niettegenstaande geestelijk of lichamelijk leed toch gezetter worden, ‘prospereeren; fr. engraisser de mal avoir. Deze woorden, waaraan somtijds wordt toegevoegd ‘als de palmboom’, herinneren aan het geloof, dat de palmboom, als men er gewichten aanhangt of oplegt, hierdoor niet gedrukt wordt, maar des te sierlijker opschiet. Vgl. Starter, 169; Brederoo I, 104: Deuchts ingheboren aart blinckt in recht' Edelinghen, hoe seer sy wert vermast, nochtans ghelijck een Palm so gaetser teghen dringhen, en overwint haer last; Vondel, Palamedes, vs. 1043:

 Hef het hoofd omhoogh, en toon, dat waere deught,
 Als d'eedle pallemboom, geen' last te draegen weigert,
 En tegens 't zwaer gewight der lasteringen steigert.

Bij Grieksche en Latijnsche schrijvers komt deze meening meermalen voor, o.a. bij Gellius, Noctes Atticae, 3, 6Si super palmae, inquiunt (Aristoteles en Plutarchus), arboris lignum magna pondera inponas ac tam graviter urgeas oneresque, ut magnitudo oneris sus ineri non queat, non deorsum palma cedit nec intra flectitur, sed adversus pondus resurgit et sursum nititur recurvaturque. Vgl. Zeitschrift für den deutschen Unterricht, XXVI, 140-142. Als devies vindt men palma sub pondere crescit in de 17de eeuw aangenomen naast virtus sub pondere crescit en justus ut palma florebit, dat aan den Bijbel, Psalm 92, vs. 13 ontleend isIn Twente groeit men tegen de verdrukking op als nen nöttenbaom, omdat men meent, dat die boom de meeste vruchten draagt, welke in het najaar het meest geslagen wordt om er de noten af te krijgen; Volksk. XIX, 220.; vgl. hd. die Palme wächset bei der Last.

2693. (Aanv.) Het gras hooren groeien,

‘een bewijs van bovenmenschelijke fijnheid van gehoor; de Edda schrijft dit vermogen aan Heimdaller, een der Asen, toe. Thans gewoonlijk ironisch gebezigd, in toepassing op neuswijze, ingebeelde personen’. (Ndl. Wdb. V, 579). Vgl. Molema, 133a: Hij kan 't gras wassen hooren; hij is in de hoogste mate eigenwijs; Handelsblad, 26 Febr. 1925 (O) p. 5 kol. 1: Drie onderwerpen in hoofdzaak vroegen de aandacht der hoorders. Het beleid der regeering in het verleden, het politiek perspectief en de financieele toestand. Dit is het moment, waarop de politieke tinnegieters het gras hooren groeien. Vgl. hd. er höret das Gras wachsen, die Mücken niesen, die Flöhe husten, die Schafe feisten, er ist überklug; Bebel no. 85. Ille audit gramina crescere; dicitur in eos, qui sibi prudentissimi videntur; fr. il entend l'herbe lever.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut