Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grip - (houvast, vat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grip zn. ‘houvast, vat’
Nnl. de grip van een band ‘het goede contact met de weg’ [1954; WNT Aanv.], meer grip aan uw stuur ‘beter houvast’ [1968; WNT Aanv.]. Eerder al grip ‘grijper waarmee een kabelwagen aan den kabel bevestigd wordt, resp. ervan losgekoppeld wordt’ [1899; WNT Aanv.].
Ontleend aan Engels grip ‘greep, handvat’, Oudengels gripe ‘greep, houvast’ [ca. 725; BDE], zie → greep. In het Nederlands overwegend met de g van → grijpen uitgesproken en gevoeld als daarbij behorend, vergelijkbaar met begrip naast begrijpen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grip (Engels grip)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut