Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grimas - (grijnzende vertrekking van het gezicht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grimas zn. ‘grijnzende vertrekking van het gezicht’
Vnnl. een gegrijs oft grimaetse ‘een gegrijns of grimas’ [1555; Claes 1994a], grammetse, gremetse, grimmagie ‘vertrekking van de mond’ [1599; Kil.], grimmagien maken, ziet greynsen ‘grimassen maken, zie grijnzen’ [1608; WNT], 's doots grimmas ‘het grimmig aangezicht van de dood’ [1661; WNT].
Ontleend aan Frans grimace ‘vertrekking van het gelaat’ [1350-1400; Rey], eerder grimache [14e eeuw; Rey], afleiding van een niet als zodanig aangetroffen *grim ‘masker’ dat aan een Germaanse taal is ontleend. Eerder bestonden al Oudfrans grimuche ‘groteske figuur’ en middeleeuws Latijn grimutio ‘id. (als bijnaam)’ [beide 12e eeuw; Rey], wrsch. gevormd op dezelfde Germaanse basis.
De hierbij te noemen Germaanse woorden voor ‘masker’ zijn: mnl. gryme ‘masker’ [1452-94; MNHWS]; vnnl. grim zoals in grymen oft momaensichten ‘maskers of mombakkesen’ [17e eeuw; WNT grim II]; os. grīma; oe. grīma; ofri. grīme; on. gríma; < pgm. *grima-. Mogelijk verwant met → grimmig en met de wortel van → grienen en → grijnzen. Misschien echter verwant met mnl. grimen ‘zwart maken, beroeten, bevuilen’, mnd. greme ‘vuil’ (> ne. grime ‘vuil, roet’).
In dat laatste geval tevens verwant met Grieks khrī́ein ‘smeren, zalven’ (waarvan Khrīstós ‘Christus, de gezalfde’); Litouws griēti ‘(af)romen’; bij de wortel pie. hrei- ‘smeren, wrijven’ (IEW 457).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grimas [vertrekking van het gezicht] {grimaetse 1555} < frans grimace < oudspaans grimazo [grijnzende tronie], uit het germ., vgl. middelnederlands grime [masker] (vgl. grijm).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grimas znw. v., sedert Kiliaen grammetse, gremetse, grimmagie < fra. grimace (voor het eerst in de 14de eeuw als grimache ‘moeilijke toestand’) < spa. grimazo ‘panische schrik’, met pejoratieve afl. van grima ‘schrik, vrees’ < got. grimms ‘verschrikkelijk’ of got. grīma ‘masker’, waarvoor zie verder: grijm.

Reeds Tacitus Germ. c. 43 noemt een voorbeeld van het besmeren van het gezicht in zijn bericht over de stam der Harii, die daardoor in het gevecht de indruk van een ‘feralis exercitus’ maakten: zo konden daaruit de bet. ‘masker’ en ‘afschuw, vrees’ ontstaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grimas znw., gew. o., vroeger meer v., sedert Kil., die de vormen grammetse, gremetse, grimmagie opgeeft. Uit fr. grimace (ofr. ook gremache), dat ook in ʼt Hd. en De. is overgegaan en dat zelf óf op ʼt bij grimmig besprokene bnw. *ʒrimma- òf op mnl. (zelden) grîme (oudnnl. grim; zeldzaam), os. grîma v., ags. grîma m., on. grîma v. “masker”, in sommige talen ook “spook” teruggaat. Dit laatste woord wordt soms met grijnen, soms met gr. khrī́ō “ik zalf, smeer in”, lit. grëjù, grë̃ti “den room van de melk scheppen” (zie bij grind), soms met oi. jihréti “hij schaamt zich” gecombineerd.

[Aanvullingen en Verbeteringen] grimas. Voor fr. grimace zie Schuchardt, Zeitschrift für rom. Philologie 31, 9 vlg.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grimas vertrekking van het gezicht 1555 [Claes] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

732. Grimassen maken,

d.w.z. zonderlinge gebaren maken; kuren, kunsten, fratsen. Grimas is het fr. grimace, grijnzende vertrekking van het gelaat; faire la grimace een leelijk gezicht zetten. Bij Kiliaen 847 a ook grametse, gremetse, gesticulatio, distortio oris; in Zuid-Nederland: grimassen, grammastjes, gramatsen, grammoetsen, grammutsen maken; 'n vieze grimasse trekken; oostfri. grimassen maken; hd. Grimassen machen; eng. to make grimaces.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut