Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grijpen - (snel pakken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grijpen ww. ‘snel pakken’
Mnl. her greip sin swert ‘hij greep zijn zwaard’ [1201-25; CG II, Floyr.], gripen ‘pakken, aanvatten’ [1240; Bern.], (3e pers. ev.) gript ‘grijpt’ [1276-1300; CG II, Moraalb.]; vnnl. grijpen ‘(snel) vatten’ [1562; Kil.].
Ohd. grīfan (nhd. greifen), os. grīpan; oe. grīpan (ne. grip ‘vastpakken’ en gripe (zeemanstaal) ‘(vast)sjorren’), ofri. grīpa (nfri. gripe); on. grípa (nwz. gripa); got. greipan; < pgm. *greipan-. Hiernaast een pgm. wortel zonder -i-, waarvan on. grápa ‘pakken’ (nzw. grabba); mnd. grabbe(le)n; ne. grab ‘pakken’, grope ‘tasten’, zie → grabbelen.
Pgm. *greipana zou eventueel op pie. hreib- kunnen teruggaan; buiten het Germaans zijn te vergelijken Litouws griebti ‘pakken’, Lets gribēt ‘willen’, maar als deze Baltische vormen Indo-Europees zijn, moet de wortel pie. hreibh- zijn. Naast het Germaans hebben ook Baltisch en Slavisch vormen van een gelijksoortige wortel zonder *-i-, namelijk hreb(h)-, waarbij o.a. Oudkerkslavisch grabiti ‘stelen’, Litouws grobti ‘pakken’ Deze ongebruikelijke aan- en afwezigheid van *-i- in twee wortels met ruwweg dezelfde betekenis, het verschil tussen Balto-Slavisch *bh (< *bh?) en Pgm. *p (< *b?), de afwezigheid van *ghreibh- in andere takken van het Indo-Europees en het feit dat PIE *b praktisch non-existent is, wijzen alle vier op herkomst uit een substraattaal.
grijper zn. ‘hebzuchtig mens; grijpend werktuig’. Mnl. gripers ‘rovers’ [1399; MNW-P]; vnnl. grijper ‘hij die vangt (Judas Iscariot)’ [1635; WNT]; nnl. zijne grijpers ‘zijn handen’ [1711; WNT besmuisteren], grijpers (mv.) ‘grijpwerktuigen’ [1921; WNT uitstooten]. Afleiding van grijpen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grijpen* [pakken] {gripen 1201-1250} oudsaksisch, oudengels gripan, oudhoogduits grifan, oudfries, oudnoors grípa, gotisch greipan; buiten het germ. slechts litouws griebti [idem]; verwant met grabbelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grijpen ww. mnl. grîpen, os. grīpan, ohd. grīfan, ofri. grīpa, oe. grīpan, on. grīpa, got. greipan ‘grijpen’. — lit. griebiù, griẽbti ‘grijpen’, graibaũ, graibýti ‘om zich heen grijpen’ van een idg. wt. *ghreib (IEW 457). — Mnl. grīpen > fra. gripper (sedert 1454 bekend, zie Valkhoff 152). — Zie nog: greep en garf.

Opmerkelijk is het voorkomen van dit woord uitsluitend in het germ. en lit.; dus wel een relatief jonge formatie, die dan wel naast de onder grabbelen behandelde wt. *ghreb zal zijn opgekomen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grijpen ww., mnl. grîpen. = ohd. grîfan (nhd. greifen), os. grîpan, ofri. grîpa, ags. grîpan (eng. to gripe), on. grîpa, got. greipan “grijpen”. Van een idg. basis ghreib-, evenals lit. grëbiù, grë̃pti “grijpen”. Uit het Germ. fr. gripper “pakken”. Idg. ghrei-b-, gherei-b- is verwant met gherĕ-bh-; zie garf en grabbelen. Vgl. greep.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

grijpen. Aan het slot van het art. worden de idg. wortels *ghreib- en *ghrebh- (zie garf) verwant genoemd. Veiliger is het alleen vast te stellen, dat tussen beide wortels resp. woordfamilies sterke overeenkomst in bett. bestaat.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grijpen o.w., Mnl. gripen, Os. grîpan + Ohd. grîfan (Mhd. grîfen, Nhd. greifen), Ags. grípan (Eng. to gripe), Ofri. grípa, On. grípa (Zw. id., De. gribe), Go. greipan + Lit. grë̃pti, Lett. gribet: Idg. wrt. ghreib waarnevens wrt. ghrebh: Skr. wrt. grabh, Osl. grabiti, Lit. grébti, Lett. grabt. Uit Germ. Fr. gripper en griffe.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

griepe (ww.) grijpen; Vreugmiddelnederlands gripen <1240>.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grijpen ‘pakken’ -> Frans gripper ‘(doen) vastlopen; (verouderd) grijpen’ Frankisch; Baskisch gripatu ‘vastlopen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grijpen* pakken 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut