Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grieven - (krenken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

grief zn. ‘bezwaren, klacht’
Mnl. schade noch grief ‘schade noch leed’ [1300-25; CG I, 66], dat hi mi doet geen grief ‘dat hij mij geen leed berokkent’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. o smertelijc grief o wreede fortune van ongelucke ‘o smartelijk leed, o wreed ongelukkig lot’ [1510-30; MNW-P], drie grieven ‘drie redenen tot ontevredenheid, boosheid’ [1618; WNT].
Ontleend aan Oudfrans grief ‘schade, smart’ [12e eeuw; FEW] (Nieuwfrans griefs (mv.) ‘bezwaren, grieven’), zelfstandig gebruik van het bn. grief ‘bezwarend’ [gref 1080; Rey] (nu verouderd), ontwikkeld uit vulgair Latijn *grevis ‘zwaar’ dat zich onder invloed van Latijn levis ‘licht’ heeft ontwikkeld uit Latijn gravis ‘zwaar’, zie → gravitatie. Het is ook mogelijk dat Oudfrans grief een afleiding is van het werkwoord grever ‘belasten, bezwaren’ [ca. 1160; Rey], dat teruggaat op Latijn gravāre ‘id.’, een afleiding van hetzelfde gravis ‘zwaar’.
Uit Oudfrans grief ook Engels grief ‘leed, smart’ en Middelnederduits grief ‘kommer, pijn’.
grieven ww. ‘kwetsen, leed veroorzaken’. Mnl. grieven ‘beschadigen, verwonden’, in omme ... onsen portren te grievene ‘om onze burgers kwaad te doen, te verwonden’ [1337-78; MNW], den torre van der kerke ... quetsen ende grieven ‘de toren van de kerk aantasten en beschadigen’ [1429; MNW]; vnnl. ook mentaal grieven ‘bedroeven, kwetsen’, in als sy byder sententie enormelijck gegrieft zijn ‘indien ze door de veroordeling zeer hebben geleden’ [1626; WNT restitueeren], yemand te grieven of te quetsen ‘iemand te verwonden of te kwetsen’ [ca. 1667; WNT], hoe uw Vader of Moeder zich tot in het diepste hunner harten zullen gegriefd voelen [1734; WNT diep II]; de letterlijke betekenissen ‘verwonden, beschadigen’ verdwijnen. Afleiding van het zn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grieven [krenken] {1350 in de betekenis ‘kwaad doen, benadelen’} van grief.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grief znw., mnl. grief o. (m.) “leed, pijn, droefheid, krenking, letsel, schade”. Of uit ofr. grief “smart, kommer” (waaruit ook eng. grief) òf vroeger direct uit den grondvorm hiervan, rom. *grěve (voor lat. grave, o. van gravis). Als mnd. grief “kommer, pijn” niet uit ʼt Ndl. ontleend is, moet ʼt uit ʼt Fr. komen en dan is deze oorsprong ook voor ndl. grief wsch.: rom. *grěve zou veeleer os. mnd. *grêf opleveren; vgl. brêf: ndl. brief uit lat. brěvis, brěve. Mnl. grieven “beschadigen, verwonden, (ʼt gemoed) kwetsen” (nnl. grieven) is een ndl. afl. van grief. Het synonieme mnl. grievêren, grevêren uit fr. grever (lat. gravâre); de ie naar analogie van grief, grieven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2grief ww.
Leed aandoen, smart veroorsaak, seermaak.
Uit Ndl. grieven (1870 - 1876). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm griif.
Eng. grieve (1297).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grieven ‘krenken’ -> Duits dialect † griven ‘krenken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grieven krenken 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal