Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grienen - (huilen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grienen ww. ‘klagend huilen, kermen’
Mnl. grinen ‘knorren’ [1240; Bern.], dat hi ... van couden bevede ende green ‘zodat hij van kou beefde en jammerde’ [1300-25; MNW-R], wenen ende grinen ‘wenen en huilen’ [1390-1410; MNW-R], ook grijnen ‘de mond vertrekken, lachen’ in die mont grijnt ende lacht ‘de mond vertrekt en lacht’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. grinen ‘huilen’ en grenen, grijnen, grenicken ‘glimlachen’ [beide 1599; Kil.].
Een werkwoord met de oorspronkelijke betekenis ‘de mond vertrekken’, zoals meer werkwoorden met gr-. Bij grienen is de betekenis uiteindelijk verschoven naar ‘huilen, kermen’.
Mnd. grinen ‘kermen, huilen; lachen’; ohd. grīnan ‘brommen, de mond vertrekken’ (nhd. greinen ‘janken, weeklagen’, naast grienen ‘vol leedvermaak lachen’ < mnd.); on. grína ‘de mond vertrekken om te lachen of huilen’ (nzw. dial. grina ‘huilen; lachen’); < pgm. *grinan-. Ablautend oe. grānian (ne. groan ‘steunen, klagen’); < pgm. *grainan-. Daarnaast vnnl. grinnen ‘grienen, hinniken, tandenknarsen’; mnd. grinning ‘het huilen’, ohd. grennat ‘mekkert’, granon ‘knorren’ (mhd. granen, grannen ‘huilen’, grinnen ‘knarsen’); oe. grennian ‘de tanden laten zien bij huilen of lachen’ (ne. grin); on. grenja ‘het gezicht vertrekken, hoonlachen’. Ook verwant zijn → grinniken en → grijnzen, waarbij ook de mond en het gezicht vertrokken worden.
Er zijn geen duidelijke verwanten buiten het Germaans. Men verbindt pgm. *gr(a)inan- wel met diverse andere vormingen met gr-, zoals → groeten, → grommen, → grol, die dan alle bij een wortel pie. *gh(e)r- ‘roepen’ worden geplaatst.
In WNT deel V (1893) staat als ingang voor dit werkwoord de ook al aan het eind van de Middelnederlandse periode voorkomende vorm grijnen. De hedendaagse vorm grienen kan afkomstig zijn uit dialecten waar de Germaanse -ī- niet gediftongeerd is, maar het is ook mogelijk dat de -ie- bewaard is gebleven en de overhand heeft gekregen door de klankschilderende kracht ervan (Schönfeld 1970, par. 76). Het verwante grijnzen, waarbij geen geluid wordt aangeduid, heeft wel de gediftongeerde vorm.
Uit Frankisch *grīnan Frans grigner (dial.) ‘grienen, jammeren’, ouder greignier ‘id.’ [1170; Rey], en afgeleid daarvan grignoter ‘knabbelen, peuzelen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grijnen* [grienen] {grinen [schreien, briesen, grijnzen] 1201-1250} middelnederduits grinen [de mond vertrekken om een geluid te maken, huilen], oudhoogduits grinan, oudnoors grína [grijnzen], ablautend oudengels granian (engels to groan) [steunen, klagen]; de grondbetekenis is ‘het vertrekken van de mond’ → grijn, grijnzen, grinniken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grijnen ww., mnl. grînen ‘schreien, huilen, brullen, grijnzen’, mnd. grīnen ‘de mond vertrekken om een geluid te maken, kermen, huilen en dgl.’, ohd. grīnan ‘een beweging met de mond maken, brommen’, on. grīna ‘grijnzen, de mond vertrekken’. Daarnaast met ablaut oe. grānian (ne. groan) ‘steunen, klagen’. — In een woord met zo sterk affectief karakter, is klinkervariatie vanzelfsprekend: wij vinden daarom naast *grīn ook gren, gran, vgl. mnd. grinninge ‘schreien, huilen’, oud-nnl. grinnen ‘grijnen, hinniken’, ohd. granōn ‘knorren’, mhd. granen, grannen ‘wenen’, grinnen ‘knarsen’, oe. grennian ‘van boosheid of vreugde de mond vertrekken (ne. grin), on. grenja ‘hoonlachen, schreeuwen’; vgl. verder: ohd. grunzen morren, brommen’, oe. ongryntan ‘toelachen’ (ne. grint ‘de tanden laten zien’), on. gretta ‘grijnzen’, nde. grante ‘huilen, jammeren’ en met ander formans: nnl. grijnzen, mnl. grinsen, grensen, greinsen, grijnsen, ‘grijnzen, boos zijn’, mnd. gransen, grensen, grinsen ‘grinniken, knorren’, mhd. gransen, grensen ‘grijnzen’, fri. grānzje ‘grommen’. — Zie: grinneken.

Ofschoon de meeste woorden van deze groep een of ander geluid aanduiden, treedt toch sterk een betekenis ‘de mond vertrekken’ naar voren, die dan ook wel het uitgangspunt van de etymologie zal moeten zijn. Dit vertrekken van de mond heeft ten doel de tanden te laten zien en daarom is er verband mogelijk met noorw. dial. grina ‘lek zijn’, nzw. grina ‘stuk zijn’ (Cederschiöld GHÅ 16, 1910, 71-3); dit voert dan verder tot on. grein ‘tak, twijg’, nzw. gren ook ‘hoek tussen twee takken’. Dan mogen wij wellicht aannemen een germ. wt. *grai : grī ‘van een wijken, gapen’. — Wat tenslotte de nnl. vorm grienen betreft, deze kan dialectisch zijn en zelfs als de voortzetting van germ. î beschouwd worden; voorzichtiger is het aan jonge klankvariatie te denken.

grijnen ww., mnl. grînen ‘schreien, huilen, brullen, grijnzen’, mnd. grīnen ‘de mond vertrekken om een geluid te maken, kermen, huilen en dgl.’, ohd. grīnan ‘een beweging met de mond maken, brommen’, on. grīna ‘grijnzen, de mond vertrekken’. Daarnaast met ablaut oe. grānian (ne. groan) ‘steunen, klagen’. — In een woord met zo sterk affectief karakter, is klinkervariatie vanzelfsprekend: wij vinden daarom naast *grīn ook gren, gran, vgl. mnd. grinninge ‘schreien, huilen’, oud-nnl. grinnen ‘grijnen, hinniken’, ohd. granōn ‘knorren’, mhd. granen, grannen ‘wenen’, grinnen ‘knarsen’, oe. grennian ‘van boosheid of vreugde de mond vertrekken (ne. grin), on. grenja ‘hoonlachen, schreeuwen’; vgl. verder: ohd. grunzen morren, brommen’, oe. ongryntan ‘toelachen’ (ne. grint ‘de tanden laten zien’), on. gretta ‘grijnzen’, nde. grante ‘huilen, jammeren’ en met ander formans: nnl. grijnzen, mnl. grinsen, grensen, greinsen, grijnsen, ‘grijnzen, boos zijn’, mnd. gransen, grensen, grinsen ‘grinniken, knorren’, mhd. gransen, grensen ‘grijnzen’, fri. grānzje ‘grommen’. — Zie: grinneken.

Ofschoon de meeste woorden van deze groep een of ander geluid aanduiden, treedt toch sterk een betekenis ‘de mond vertrekken’ naar voren, die dan ook wel het uitgangspunt van de etymologie zal moeten zijn. Dit vertrekken van de mond heeft ten doel de tanden te laten zien en daarom is er verband mogelijk met noorw. dial. grina ‘lek zijn’, nzw. grina ‘stuk zijn’ (Cederschiöld GHÅ 16, 1910, 71-3); dit voert dan verder tot on. grein ‘tak, twijg’, nzw. gren ook ‘hoek tussen twee takken’. Dan mogen wij wellicht aannemen een germ. wt. *grai : grī ‘van een wijken, gapen’. — Wat tenslotte de nnl. vorm grienen betreft, deze kan dialectisch zijn en zelfs als de voortzetting van germ. î beschouwd worden; voorzichtiger is het aan jonge klankvariatie te denken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grijnen ww., vooral met de dial. uitspraak grinen, mnl. grînen (zw. en st.; nog st. in België) “schreien, huilen, brullen, grijnzen”. = ohd. grînan “een beweging met den mond maken, brommen” (st., evenals mhd. grînen; nhd. greinen zw.), mnd. grînen “den mond vertrekken om te knorren, kermen, huilen, lachen enz.”, on. grîna “den mond vertrekken (bij lachen, schreien, boosheid)”. Men ablaut ags. grânian “steunen, klagen” (eng. to groan). Naast ʒrîn- staat ʒren-, ʒran-, waarvan oudnnl. grinnen “grijnen, hinniken”, ohd. grennat “mutiet”, granôn “knorren”, mhd. granen, grannen “weenen”, grinnen “knarsen”, mnd. grinninge v. “het schreien, huilen”, ags. grennian “ van boosheid of blijdschap de tanden laten zien” (eng. to grin), on. grenja “zijn gezicht vertrekken, hoonlachen”; bij deze woordgroep sluiten aan: 1. de. grante “kermen”, on. grettast “grinniken, grijnzen”, 2. mnd. grēneken “grijnen, lachen”, mnl. grēniken, greenken “meesmuilen, grinniken” (hieruit nnl. grinniken), 3. nhd. gransen, grinsen “grijnzen, grinniken”, mnd. gransen, grensen, grinsen “grinniken, knorren”, fri. grânzje “grommen”, mnl. grensen, greinsen, grinsen, grijnsen “grijnzen, grimmig zijn” (nnl. grijnzen). Hoogerop is verwantschap van germ. ʒren- en ʒrîn- (*ghre-i-n-) met een der bij grol besproken idg. bases mogelijk. Uit ʼt Germ. prov. grinar “de tanden laten zien, knorren” e.a. rom. woorden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

grijnen. I.pl.v. “mnd. grinninge v. ‘het schreien, huilen’” lees: “mnd. grinnen ‘knarsetanden, grijnzen’.”

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grenen 2 ono.w., bijvorm van grijnen.

grijnen ono.w., Mnl. grinen + Ohd. grînan (Mhd. grînen, Nhd. greinen), On. grína, Ags. gevormd als factitief gránian (Eng. to groan), verwant met grim, gram, grijnzen, grijzen. Uit Germ. Fr. grigner.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

grens II: ww. “huil”, gew. in Afr. genas.; Ndl. grijnen naas grijnzen (Mnl. grinen) hou verb. m. Eng. grin en groan – ook Mnl. het ww. vorme soos grensen/grinsen, in elk geval blb. hoofs. Germ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grienen ‘huilen’ -> Frans grigner ‘rimpelen (gezicht of stof)’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grienen* huilen 1170 [Rey]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut