Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

griel - (vogel)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Griel Burhinus oedicnemus (Linnaeus: Charadrius) 1758. Voormalige N broedvogel uit de duinstreek. De soort heeft een nogal teruggetrokken levenswijze (vgl. volksnaam Doornsluiper ↑), maar kan gedurende het voorjaar zeer luidruchtig zijn en dan een schrille Wulpachtige roep laten horen. Hiernaar zou de vogel genoemd kunnen zijn1,2. Klanknabootsend zijn dan ook de volgende namen: D Triel ?2 D Griel, deens/noors Triel2 en ijslands Tríll (ws. ontleningen uit het D, want een oudnoordse naam is niet bekend en de Griel komt in deze landen niet of nauwelijks voor). Vgl. ook de onomatopoëtische volksnaam Scharluup.
E Stone Curlew is wat het tweede element betreft een halfonomatopee, want geeft aan dat de roep ongeveer klinkt als van de Wulp (= Curlew) (vgl. de oude N naam Landwulp ↑).
F Oedicnème criard verwijst, evenals Temmincks “Oedicnemus crepitans”, ook naar de schreeuwerige roep.
Voor fries Tsjokpoat (verband houdend met Oedicnemus) ↑.
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Houttuyn 1763 geeft “Griel” als de officiële N naam op; ook kende hij de D namen “Triel of Griel” (p.261), welke eveneens vermeld staan in HG 1669 (“Dieser Vogel wird zu Teutsch ein Triel oder Griel genennet”) en in Gesner1 1555 [Suolahti]. Nog een citaat uit HG: “In Niederland soll er gantz gemein seyn.” (p.II-159), maar dit gaat niet vergezeld van een N naam (Gr, Lat en It namen staan er wél). Jonstonus 1660 vermeldt (D) “Triel” (Tab.XXVI).
ETYMOLOGIE N griel ‘zot, kinderachtig meisje’ houdt wellicht verband met N ww. grielen ‘onophoudelijk lachen’ en mnl grielkijn ‘bepaald soort trompet’. Een verbinding naar de homonieme vogelnaam Griel is dan mogelijk op grond van het geluid. Gezien de plaatsaanduiding in HG (“Niederland”) kan de naam zelfs van N/nederduitse/friese oorsprong1 zijn (maar dan niet noodzakelijkerwijs voor de Griel), wat dan ook een friese onomatopoëtische vogelnaam Gril ↑ of deens Grylle (= “Sandløber”) in beeld brengt.
D Triel wordt door Wahrig 1992 opgegeven als “lautmalend nach dem Ruf”; voor D Griel geldt dit dan ws. óók. D grell ‘schril’ is, gezien de andere klinker, niet aan de orde.

==

1 Gesner 1555: (in vert.) “[Der Vogel] wird irgendwo auf deutsch – wenn ich mich nicht irre – Triel oder Griel genannt.” Suolahti 1909 merkt terecht op dat het bewijs dat deze twee namen juist staan voor Burhinus oedicnemus, een soort die Gesner (uit z’n eigen omgeving) niet kent, daarmee flenterdun is; inderdaad is de kans groot dat Gesner D namen voor de Wulp Numenius arquatus door het hoofd gespeeld hebben. D volksnamen voor de Wulp zijn Grüel aan het Bodenmeer en Moosgrille elders, terwijl Frischbier 1883 voor pruisisch Triel, Griel als synoniem Brachhuhn (dus ‘Wulp’) opgeeft [Suolahti p.282, 264; S&vB 1892]. De namen Griel en Triel zijn na Gesner steeds opnieuw in de boeken aangehaald; meestal met strikte verwijzing naar Gesner (bijv. in Baldner 1666), wat het vermoeden doet groeien dat latere auteurs deze namen uit anderen hoofde niet kenden.

2 Het oorspr. ‘aanbod’ was dus ws. “Triel oder Griel” van Gesner 1555. Men kan zich afvragen waarom in het D en de scandinavische talen de vorm met T- en in het N de vorm met G- gangbaar is geworden. Wat het D betreft, werd ws. gewoon de eerste van de twee genoemde namen door de epigonen van Gesner gekozen (bijv. door Baldner 1666: “Ein Thriehl – dieser Vogel wird in Hr. Doctor Geßners Thierbuch also genennt.”). Wat het N betreft: de schrapende [g] is een typisch N klank. Bovendien sloot alleen Griel aan op bestaande N woorden (zie boven). Of de keus (Griel of Triel) al vóór Houttuyn 1763 is gemaakt, is mij niet bekend. De ‘keus’ voor scandinavisch Triel/Tríll zal in de eerste plaats ingegeven zijn door de inmiddels definitieve keus van het D voor Triel, welke naam ws. pas in een tamelijk laat stadium (als eerste door het deens) zal zijn geleend. Triel en Tríll geven een associatie met ‘trillen’, welk ww. vaak gebruikt wordt om bepaalde vogelgeluiden aan te duiden (vgl. ook sub Gril). Zie ook noot 1.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GRIELBurhinus oedicnemus
Duits Triel
Engels Stone Curlew
Frans Oedicnème criard
Fries Tsjokpoat
Betekenis wetenschappelijke naam: ‘vogel met runderneus en gezwollen schenen’. Deze benaming heeft betrekking op de forse neusgaten (als van een rund) en de zwaargebouwde poten. Ook de Friese naam, die dikpoot betekent, is een verwijzing naar de forse poten. De vroeger in ons land broedende Griel is sinds 1958 een nog maar zelden aanwezige dwaalgast. De naam vindt zijn oorsprong in het wat giechelende geluid dat de vogel voort brengt. Ook de volksnamen Scharluip en Scharluup zijn door klanknabootsing gevormd. De vogel laat soms een enigszins schorre, klagende roep horen die klinkt als ‘kar úúp’ en doet denken aan het geluid van een scharensliep. Vergelijk ‘koelie’ enz. bij de Wulp. De namen Doornkruiper, Doornsluiper en Doornslijper (slijpen betekent glijden, sluipen) houden verband met de typisch sluipende manier waarop de Griel zich met de kop omlaag en met opgetrokken schouders voortbeweegt tussen de duindoornstruiken. De naam Keutelgriel (NH) wil zeggen dat vaak konijnenkeutels ter versiering rond het nest worden aangebracht.

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

griel2* [vogel] {1860} van klanknabootsende oorsprong, vgl. frans grêle [schril, piepend], middelnederlands grielkijn [trompet].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

griel 1 znw. v. ‘vogelnaam’, ook ‘doornsluiper’ (burhinus oedicnemus), in het nhd. triel, vroeger ook griel, beide namen die het geluid van de vogel aanduiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

griel (vogelnaam), mnl. Hd. heet deze vogel triel, vroeger ook griel. Misschien onomatop.; evenzoo de fr. naam courli.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

griel v. (vogel), + Hgd. grüel en triel: onomat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut