Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gretig - (begerig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gretig bn. ‘begerig’
Vnnl. dat zyn volc so gretich was om met de vianden eens te werc te comen ‘dat zijn mannen er zo op belust waren om een keer met de vijanden slaags te raken’ [1565; WNT vond], ghesonder, greetigher ‘(van vogels:) gezonder, met meer eetlust’ [1582; WNT wakker], gretigh ‘begerig, verlangend’ [1599; Kil.], met greetige ooren ‘met wijd open oren’ [1625; WNT]; in de 17e eeuw ook zeer frequent de vormen gratig(h), graetig(h).
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van vnnl. grete, greyte ‘begerigheid’ [1599; Kil.], waarbij ook een werkwoord greten, graeten ‘irriteren, sarren’ [1599; Kil.]. Verdere etymologie onduidelijk. Misschien horend bij de wortel pgm. *ger- van → gaarne en → begeren. Zie ook → graag.
Om semantische reden onwaarschijnlijk is verwantschap met mnd. gretten (< *gratjan) ‘irriteren’, ohd. grazzo ‘streng’, mhd. graz ‘woede’; < pgm. *grati- (alleen West-Germaans), dat misschien verwant is met → graat < pgm. *grata- (mhd. graz betekent zowel ‘woede’ als ‘twijg’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gretig* [graag] {1573} van grete [begerigheid] greten [begeren, irriteren], middelnederduits grettich [vertoornd], gretten [irriteren], oudhoogduits grazzo [hevig, ernstig], middelhoogduits graz [woede], grazen [schreeuwen, aanmatigend handelen], vermoedelijk te verbinden met oudhoogduits gratag, oudengels grædig [begerig], gotisch gredags [hongerig]; afgeleid van dezelfde stam als begeren, graag.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gretig bnw., sedert Kiliaen, bij wie wij ook vinden grete ‘begerigheid’ en greten ‘begeren’, mnd. gretten ‘irriteren’, grettich ‘vertoornd’, mhd. graʒ ‘hartstochtelijk, woedend’, ohd. graʒʒo bijw. ‘zeer, hevig’, verder mhd. graʒ, grāʒ ‘woede’. Daar het mhd. grāʒen de bet. ‘schreeuwen, hartstochtelijk zoenen, aanmatigend handelen’ heeft, denkt men aan verband met groeten, wat echter zeer onzeker is.

Eerder kan men denken aan een wisselvorm naast oe. grædig, ohd. grātag ‘begerig’, got. grēdags ‘hongerig’, een dentaal-afl. van de idg. stam. *ĝher, waarvoor zie: begeren, dus een afl. *ĝhrêd naast *ĝhrēdh?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gretig bnw., sedert Kil. Van Kil. grete “begeerigheid’, waarvan ook Kil. greten “begeeren”. De vormen greyte resp. greyten, greyden, die Kil. ook opgeeft, zijn niet verwant; want greten sluit zich met Kil. greten, mnd. gretten “irriteeren” aan bij ʼt mhd. bnw. graʒ “hartstochtelijk, woedend”, ohd. graʒʒo bijw. “zeer, hevig”, mhd. znw. graʒ, grâʒ m. “woede” (hierbij nhd. grässlich). Verwant met groeten. De bett. “hartstocht, woede” e.dgl. zijn bij een wortel, die oorspr. een geluid (“schreeuwen” e.dgl.) aanduidde, licht verklaarbaar: vgl. mhd. grâʒen “schreeuwen, hartstochtelijk doen, aanmatigend handelen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gretig. Kil. greten ‘irriteren’ = zuidndl. greten ‘plagen’. Bij mnd. gretten ‘irriteren’: mnd. grettich ‘vertoornd’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gretig bijv., van het oude nw. grete = begeerte, waarin e = ä en dat tot groeten staat als varen tot voer; van denz. stam Ohd. bijw. graʒʒo (Mhd. bijv. graʒ, Nhd. grasz) = geweldig. Niet verwant met graag.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gretig ‘begerig’ -> Duits dialect † gretich ‘ruw, begerig’; Frans gredin ‘armoedig persoon (die behoeftig is); middelmatige en behoeftige schrijver; oneerlijk persoon; kleine patrijshond’; Negerhollands greetig, griedig ‘begerig, gulzig, inhalig, vrekkig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gretig* begerig 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut