Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grenen - (van naaldbomenhout gemaakt)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grenen bn. ‘van naaldbomenhout gemaakt’
Vnnl. twee dicke plancken van grenen [1619; WNT uitkomen], greenen [1641; WNT juffer]; een variant is greine [1657; WNT], greinen [1697; WNT grenenhout].
Afleiding van green ‘pijnboom, zilverspar’ [1658; WNT], een inmiddels verouderd woord dat ontleend is aan een Scandinavische taal: Oudnoords grön ‘naaldboom’ (Zweeds gran naast dial. en Noors grän), misschien een afleiding van → graat in de oorspr. betekenis ‘stekel, punt’. De betrokken naaldboom werd in deze talen dus naar zijn stekelige naalden benoemd.
Lit.: Van der Sijs 1998

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grenen [van grenenhout] {1643} < zweeds gran, vgl. oudnoors grǫn, noors gran [spar], deens gren [tak], gran [spar]; waarschijnlijk van dezelfde stam als oudhoogduits grana [groot], oudnoors grǫn [snor] en nederlands garnaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

green in greenhout uit het Noordgerm. zoals nnoorw. zw. dial. grän, naast gran, on. grǫn ‘den’, die genoemd is naar de spitse naalden (zie daarvoor onder graat).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

green znw., gew. in samenst.: greenhout, greenboom. Oudnnl. ontl.uit het Ngerm. (de. zw. gran, on. gro̜n v. “greenboom”, dat voor identisch met gro̜n “baardhaar” wordt gehouden; zie graat). Ook ndd. grän uit het Noordgerm. Afl. grenen bnw.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

green. Het ndl. ndd. vocalisme verklaart zich uit scand. nevenvormen als ozw. græn, zw. dial., noorw. grän.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

green m. (dennenboom, pinus picea), uit het Skand.: De. en Zw. gran, On. grǫn, hetz. als graan 2, wegens de stekelige bladen.

grenen 1 bijv.(van den green), , afgel. van green.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

grenen (Noors of Zweeds grän)

N. van der Sijs (1998), Geleend en uitgeleend: Nederlandse woorden in andere talen en andersom, Amsterdam

grenenhout, vurenhout, ombudsman

De Ikea-toonzalen staan vol met meubelen die voorzien zijn van intrigerende Zweedse namen, maar er zullen niet veel mensen zijn die deze namen onthouden, terwijl Engelse productnamen in ieders mond bestorven liggen. De namen van de houtsoorten waarvan de meubelen gemaakt zijn, stammen uit Scandinavië: grenen(hout) en vuren(hout). Deze houtsoorten zijn al eeuwen populair omdat ze uitstekend te bewerken zijn. Het beste hout komt uit Noord-Zweden, Finland en Rusland. Het woord grenen is voor het eerst in 1643 in het Nederlands genoemd en is ontleend aan Zweeds gran. De boom is genoemd naar zijn ‘beharing’ met naalden, want het woord is verwant met Oudnoors grn ‘het op de bovenlip groeiende haar, de met haar begroeide bovenlip’. In het Zweeds wordt met gran overigens de ‘spar’ aangeduid, terwijl green bij ons staat voor de ‘grove den’. Het is echter bij de namen van de coniferen niets bijzonders dat er verwarring is opgetreden. De namen werden immers gegeven lang voordat er van botanische taxonomieën sprake was.

Het woord vuren is veel ouder, het is al in 1285 in het Nederlands gevonden: ‘drie vurne balken’. Het is dan ook ontleend aan het voorstadium van de huidige Scandinavische talen, het Oudnoors, dat met fura de ‘fijnspar’ en met fyri het ‘hout van de fijnspar’ aanduidde. Terwijl veel oude leenwoorden internationaal zijn, geldt dat niet voor grenen en vuren: op Engels fir voor ‘vuren’ na, hebben onze Engelse, Duitse en Franse buren geen van allen het Scandinavische leenwoord overgenomen. Het Oudnoorse woord fura is interessant genoeg verwant met Latijn quercus, dat ‘eik’ betekent — een wel heel andere boom! De betekenisverschuiving is waarschijnlijk als volgt te verklaren. Terwijl de Germaanse volkeren ruim voor de jaartelling steeds meer naar het noorden trokken, werd de eik door de opmars van de coniferen steeds meer naar het zuiden verdrongen ­— zoals bekend groeien er in de subarctische gebieden geen eiken maar wel coniferen. Daarom gingen de Germanen hun woord voor ‘eik’ toepassen op de coniferensoort. De overdracht van een boomnaam van de ene soort op een andere vinden we wel vaker: het Indo-europese woord dat bij ons tot beuk heeft geleid, luidt in het Grieks phègos met als betekenis ‘eik’; beuken komen namelijk in Griekenland niet voor.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grenen van grenenhout 1643 [WNT sas IV] <Zweeds

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut