Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

greep - (grijpende beweging; mestvork; handvat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

greep zn. ‘grijpende beweging; mestvork; handvat’
Mnl. in sinen grepe ‘in zijn hand, in zijn greep’ [1390-1410; MNW-R], grepe ‘het grijpen’ [1479; MNW-P], hadde enen driegetanden yseren griep ‘had een ijzeren riek met drie tanden’ [1480; MNW grepe]; vnnl. greep ‘mestvork’ in rieck oft grepe, mistgaffel [1573; Thes.], grepe ‘hoeveelheid die men grijpt, handvol, etc.’ [1573; WNT], grepe ‘het grijpen; (“verouderd”) haak’ [1599; Kil.]; nnl. greep ‘handvat, heft, aanvatpunt’ [1701; WNT].
In greep zijn twee verschillende woorden samengevallen, die twee ablautstrappen representeren: enerzijds pgm. *gripa- ‘het grijpen’, waaruit door rekking in open lettergreep mnl. grepe; anderzijds *graipō- ‘grijper’, waaruit mnl. greep (verbogen vormen grepe(-)) met historische lange ē. Beide zijn afgeleid van de wortel van → grijpen.
Bij pgm. *gripa- ‘het grijpen’ horen: ohd. grif; oe. gripe (ne. grip, zie → grip); ofri. grip; on. grip ‘het grijpen’ (nzw. grepp). Bij pgm. *graipō- ‘grijper’ horen: mnd. grēpe ‘mestvork’; ohd. greifa ‘voorwerp om mee te grijpen’; oe. grāp ‘grijpende hand’ (ook oe. grāpian ‘tasten’, ne. grope); on. greip ‘greep; hand met uitgestrekte duim’ (nzw. grep ‘(mest)vork’).
Ook in allerlei samenstellingen als handgreep ‘handbeweging, vaardigheid’, kunstgreep ‘list, manoeuvre’, → lettergreep ‘syllabe’, misgreep ‘blunder’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

greep* [het grijpen, handvat] {1477} afgeleid van grijpen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

greep 1 znw. m. ‘het grijpen’, mnl. grēpe, greep ‘het grijpen, omvang’, mnd. grepe ‘het grijpen, greep’, ohd. grif m. ‘het grijpen’ (nhd. griff), oe. gripe m. (ne. gripe), ofri. on. grip ‘het grijpen’ van germ. gripa- van het ww. grijpen.

greep 2 znw. v. ‘mestvork’, mnl. grêpe ‘mestvork’ (waarsch. ook het woord in de bet. ‘grijpende hand’), mnd. grēpe ‘mestvork’ (nnd. mes-grēpe ‘mestvork’), ohd. greipa ‘voorwerp om mee te grijpen’, oe. grāp ‘grijpende hand’, on. greip ‘greep; hand met uitgestrekte duim’ van grondvorm *graipō-, afl. van grijpen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

greep znw., mnl. grepe (greep) m.v., wsch. in de bett. “het grijpen, omvang” grēpe (nog dialectisch grēpə) = ohd. grif (in samenst.) m. “het grijpen” (nhd. griff), ags. gripe m. “id.”, ook “pugilla” (eng. gripe), — en in de bet. “mestvork” grêpe (dial. nnl. grêpə.) = ohd. greifa v. “voorwerp om mee te grijpen”, ags. grâp v. “grijpende hand, deel van de hand waarmee men grijpt, het grijpen”, on. greip v. “deel van de hand waarmee men grijpt”, zw. grep, noorw. dial. greip v., de. greb “voorwerp om mee te grijpen, vork”. Wsch. is mnl. grepe “grijpende hand, open vuist” ook grêpe. Evenzoo zijn bij mnd. grepe m. “het grijpen, greep, mestvork” wellicht ook twee woorden te onderscheiden. Het Noordgerm. kent *ʒripa- o. “greep, het grijpen” (noorw. grip, zw. grepp o., ouder-de. grib, de. greb). Al deze vormen bij grijpen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

greep m. (het grijpen, het gegrepene) resp. v. (om te grijpen), Mnl. grepe + Nhd. griff (Ohd. grif), van denz. stam als ’t meerv. imp. van grijpen, - en greep, v. (om te grijpen) + Ohd. greifa, van denz. als ’t enk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

greep s.nw.
1. Grypende beweging om iets te vat. 2. Toestand van gegryp te wees. 3. Manier waarop iemand of iets met die hand of hande gevat of vasgehou word, bv. in stoei. 4. (musiek) Beweging van die vingers op die snare van 'n snaarinstrument. 5. Gedeelte waarmee 'n groter geheel geïllustreer word. 6. Kunsgreep. 7. Handvatsel. 8. (rekenaar) Eenheid van inligting wat in 'n rekenaar gestoor word, bestaande uit agt binêre syfers.
In bet. 1 - 7 uit Ndl. greep (al Mnl.). Bet. 8 is 'n leenbetekenis van Eng. byte (1964).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

greep ‘stevig contact’ (bet. van Engels grip)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

greep ‘het grijpen, handvat; (verouderd) vorm van het onderschip waar de voorsteven zich met de kiel verenigt’ -> Engels gripe ‘sjorring’; Russisch † grep ‘vorm van het onderschip waar de voorsteven zich met de kiel verenigt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

greep* het grijpen, handvat 1477 [Teuth.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

589. Van de gaffel in de greep vallen,

d.w.z. van den tweetand in den drietand (= drietandige vork) vallen; dus van kwaad tot erger; vgl. Tuinman I, 298: Van de gavel in de greep, dit drukt uit van kwaad tot erger vervallen. In het Geldersch: van de gavel in de greepe loopen (Gallée, 15 a; Dr. Bl. III, 45; V. Schothorst, 131). Vgl. van den wal in de sloot; van den regen in den drop; iemand van bed op stroo helpen (Tuerlinckx, 248); van Scylla in Charybdis; van 't vagevuur in de hel, enz.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut