Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gravitatie - (zwaartekracht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gravitatie zn. ‘zwaartekracht’
Nnl. gravitatie ‘zwaartekracht’ [1832; Weiland], ‘zwaartekracht, werking van de eigen zwaarte, wederzijdse aantrekking der hemellichamen’ [1847; Kramers].
Internationaal wetenschappelijk neologisme (bijv. Engels gravitation [1645; OED], Frans gravitation [1717; Rey]), wrsch. bedacht als wetenschappelijk Neolatijn gravitatio ‘id.’, bij het werkwoord gravitare ‘druk of kracht uitoefenen’, gevormd op basis van Latijn gravitās (genitief gravitātis) ‘zwaarte, druk’, een afleiding van gravis ‘zwaar, belangrijk’.
Latijn gravis is verwant met: Gotisch kaúrus ‘zwaar’ (zonder andere Germaanse verwanten); Grieks barús ‘zwaar’ (zie → barometer, → bariton); Sanskrit gurú- ‘zwaar’, zie → goeroe; bij de wortel pie. *gwerh2- (IEW 476), waarbij wrsch. ook → bruut.
In het Nederlands werd eerder al het woord → zwaartekracht gebruikt, dat in het gewone spraakgebruik veel frequenter is dan gravitatie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gravitatie [zwaartekracht] {1832} < modern latijn gravitatio, gemaakt door Sir Isaac Newton (1642-1727) naar klass. latijn gravitas [zwaarte, gewicht], van gravis [zwaar] (vgl. gravamen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gravitasie s.nw.
Swaartekrag.
Uit Ndl. gravitatie (1832).
Ndl. gravitatie uit moderne Latyn gravitatio, 'n woord wat deur Isaac Newton (1642 - 1727) gevorm is uit Klassieke Latyn gravitas 'swaarte, gewig'.
Eng. gravitation.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gravitatie (van Latijn gravitare)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Gravitatie (= Fr. gravitation; = Lat. gravitátio; < Lat. grávitas, -tátis = zwaarte). Zwaartekracht, in het algemeen: aantrekkingskracht. Newton (1642-1727) voerde het werkwoord gravitáre in om het gedrag van twee massa's ten opzichte van elkaar te beschrijven.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Gravitatie (Lat. grávitas, gen. -átis = zwaarte; grávis = zwaar). Zwaartekracht, alg. aantrekkingskracht. Newton (1642—1727) gebruikte als werkwoord gravitáre om het gedrag van twee massa's ten opzichte van elkaar aan te geven.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gravitatie ‘zwaartekracht’ -> Indonesisch gravitasi ‘zwaartekracht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gravitatie zwaartekracht 1832 [WEI] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal