Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gravel - (ondergrond voor tennisbanen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gravel zn. ‘ondergrond voor tennisbanen’
Nnl. in samenstellingen als gravel-oppervlak ‘tennisbaanoppervlak van gemalen steengruis’ [1915; NRC], de proefnemingen zullen op gravel en gemalen-baksteen-banen worden voortgezet [1918; NRC], de met de uiterste technische zorgen aangelegde gravel-baan ...; de kleur is grijs-rood [1920; NRC], gravel “grondstof voor het maken van tennisbanen” [1956; Kolsteren], “gruis van gemalen rode dakpannen, gebruikt voor verharding van tennisbanen” [1961; van Dale].
Ontleend aan Engels gravel ‘steengruis als ondergrond voor tennisbanen’, in de samenstelling gravel court [1890; OED]. Daarnaast introduceerde men het clay court, letterlijk ‘kleibaan’ [1885; Merriam-Webster], met gemalen baksteen als ondergrond; dit is nog steeds de gangbare Engelse benaming. Het Nederlands behield de oorspr. benaming gravelbaan ook voor deze nieuwe ondergrond (zoals in het citaat uit 1920 blijkt). In de algemene betekenis is Engels gravel ‘grind, steengruis’ [voor 1333; OED], eerder ook ‘zand’ [ca. 1225; OED], ontleend aan Oudfrans gravele ‘grint, kiezelzand’, zie verder → graveel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gravel [dakpannengruis als bestrating] {na 1950} < engels gravel < oudfrans gravel(l)e [kiezel, zand, strand], verkleiningsvorm van grave [zandstrand, zandbank] < middeleeuws latijn gravellum, gravella [gravel], grava, gravia, greva [zandstrand, zandige kust], uit het kelt., vgl. welsh gro [kiezel], cornisch gro [gravel] → graveel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gravel znw. o. ‘gruis van gemalen dakpannen voor verharding van tennisbanen’ < ne. gravel ‘zand, kleine keien voor stratenaanleg’ < fra. gravelle ‘kiezel’ afl. van gallo-rom. grava ‘kiezel, kleine stenen’. — Zie ook: graveel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gra’vel (de, -s), (uitspr. E: grev’vel), (goudzoekersterm) goudhoudende kwartsgrindlaag in beekbedding. Deze goudhoudende kwartsgrinden, of ’gravels’ zoals ze hier te lande bekend staan, vormen de ’alluviale’ goudafzettingen (Enc.Sur. 248). - Etym.: E ( = grind, kiezel i.h.a.). - Syn. grabbel*, grabber*. Zie ook: grading*.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

gravel zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = steengruis, roodgruis. Professionele tennissers spelen vaak steengruis.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gravel dakpannengruis als bestrating 1914 [Aanv WNT] <Engels

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gravel (Engels gravel)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal