Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

grauw - (vaalwit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

grauw bn. ‘askleurig, grijs’
Onl. in de plaatsnaam Grawenvene ‘Grauw-veen’ [1132; Künzel]; mnl. grau, graeu, grou in grau ‘grijs’ [1240; Bern.], graeu als ene katte ‘zo grijs als een kat’ [1300-25; MNW-R], van grouwen merber ‘van grijs marmer’ [1350-1400; MNW-R]; vnnl. grauw ‘grijs, grauw, askleurig’ [1599; Kil.].
Os. grāo, grē- (in samenstellingen); ohd. grāo (nhd. grau); ofri. grē (nfri. grau); oe. græg (ne. grey, gray); on. grár (nzw. grå); alle ‘grijs, grauw’; < pgm. *grē-wa- ‘grijs, grauw’.
Geen zekere verwanten buiten het Germaans. Men vergelijkt wel Latijn rāvus ‘grijs(achtig)’, maar dat kan formeel niet verwant zijn (Schrijver 1991: 299). Verbinding met Oudkerkslavisch zĭrěti ‘zien, kijken’, Litouws žėrėti ‘stralen’ < pie. *ghr-eh1- ‘stralen’ is mogelijk maar lijkt semantisch weinig waarschijnlijk; misschien is er verband met → grijs. Mogelijk is grauw een rijmvorm bij → blauw.
grauw zn. ‘gepeupel, gewone volk’. Mnl. grauw, grauwken ‘volk, gepeupel’ [1588; Kil.]. Een overdrachtelijke betekenis van het zelfstandig gebruikte grauw in de betekenis ‘grijze kleur, iets dat grijs is’, zoals in mnl. hier dat bont werc dar dat grawe ‘hier het (bruine) bontwerk, daar het grijze’ [1276-1300; CG II, Perch.]; de bijzondere betekenis kon ontstaan, doordat het gemene volk grijze, zelfgeweven kleren droeg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

grauw1* [vaalwit] {in de vroegere Gelderse plaatsnaam Grawenvene <1132>, gra(u) [grijs, grauw] 1201-1250} oudhoogduits grao, oudwestfries grē, oudengels græg, oudnoors grār; buiten het germ. latijn ravus [geel, grijs, grauw].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

grauw 1 bnw., mnl. grâ, grau ‘grijs, grauw’, os. grē- (in samenstellingen), ohd. grāo (nhd. grau), owfri. grē, oe. græg (met onklankwettige g; ne. grey, gray), on. grār. — lit. žeriù, žeré̇ti ‘glanzen, stralen’, žarijà ‘gloeiende kool’, opr. sari ‘gloed’, osl. zǐrją, zǐrěti ‘zien, kijken’ (vgl. Uhlenbeck PBB 26, 1901, 298) van idg. wt. *ĝher ‘stralen, glanzen’, waartoe ook grijs behoort (IEW 441-2).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

grauw I bnw., mnl. grâ, grau “grijs, grauw”. Voor de vormen vgl. blauw. = ohd. grâo (nhd. grau), os. *grâ (zoo zou de zuiver-os. vorm zijn; alleen grê “grauw”, in samenst., komt voor), owfri. grê, ags. grœ̂g (met niet-klankwettige -g; eng. grey, gray), on. grâr “grijs, grauw”. Germ. *ʒrâwa- = lat. râvus “grijs, geelgrijs”. Voor ʼt vocalisme zie blauw. Verdere verwanten: gr. kharopós “met stralende oogen, schitterend”, obg. zĭrja, zĭrěti “zien, kijken”, lit. żeriù, żerėti “schitteren”. Basis ĝherê(i)-, ĝherâ-.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

grauw I bnw. Wegens lat. *grâvus, dat uit grâvastellus ‘grijskop’ is op te maken, behoeft men niet (met Persson Beitr. 300, Güntert Reimw. 169 vlg.) de verwantschap met lat. râvus op te geven: *grâvus kan de regelmatige vorm naast dial. râvus zijn. Lat. -âv- < idg. êu (Hirt IF. 37, 223; vgl. blauw Suppl.) of < ôu (Muller Ait. Wtb. 385).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

grauw 1 bijv.(grijs), Mnl. grau, gra + Ohd. grâo (Mhd. grâ, Nhd. grau), Ags. græ’g (Eng. gray), Ofri. gré, On. grár (Zw. grå, De. graa) + Lat. rāvus = geelgrijs: Idg. wrt. ɡhreṷ, waarnevens wrt. ɡhrei̯ (z. grijs). Voor den slotklank, vergel. geel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

graw (bn.) grijs; Vreugmiddelnederlands grau <1132>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1grou b.nw., s.nw.
1. Met 'n kleur tussen wit en swart, of so 'n kleur. 2. Lang vervloë, eentonig, kleurloos, of so 'n toestand. 3. Somber, treurig, mistroostig, of so 'n toestand.
Uit Ndl. grauw (1601 as b.nw. en 1867 - 1879 as s.nw. in bet. 1, 1804 - 1808 as b.nw. en 1867 - 1879 as s.nw. in bet. 2, 1871 as b.nw. en 1867 - 1879 as s.nw. in bet. 3). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. grau (9de eeu), Eng. grey (1000 as b.nw., 1592 as s.nw.), Fr. gris.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

grauw ‘vaalwit’ -> Negerhollands grou ‘vaalwit, grijs’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

grauw* vaalwit 1132 [Claes]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

99. Een schip met zure appelen (of met grauwe erwten).

Hieronder verstaat men een opkomende zware regen- of hagelbui. Vgl. Harrebomée I, 3 b: Het schip met zure appelen is in aantocht. In het Friesch: Dêr komt in skip mei sûre apels oan, er is een regenbui in aantocht; ook: het kind wil gaan huilen (Dijkstra, 283); vgl. bijv. J.P. Heye's ‘Pietje bedroefd’: Een scheepje met zuur appelen, dat zeilt er om zijn' mond; en in het Oost-Friesch: Dâr kumd 'n schip mit sûre appels afer (Ten Doornk. Koolman I, 48); bij Eckart, 457: en Schipp vull sûre Appeln, eine dicke Regenwolcke. Zie ook Jahrb. 1904, bl. 79. In Limburg spreekt men, volgens Welters 86, van een appelenschip of -schuit voor een ‘koude bui’; evenzoo is in het Vlaamsch een appelschip (-scheep), een hagelvlaag, een buiige wolk, waaruit het hagelt (De Bo, 56); in Limburg een hagelwolk ('t Daghet, XV, 172); langs den Rijn spreekt men van het regenschip. Zie ook Waasch Idiot. 578: Ze zijn een schip aan 't laden, het zal gaan donderen; Antw. Idiot. 1079: Schip, wolk, waaruit men een felle regenbui of hagelvlaag verwacht in de uitdr. ze zijn weer een schip aan 't laden of er komt weer een schip af; Jongeneel, 94: Es et Noarsjip (Meersjip) mit der kop nae 't Weste sjteet, hant ver binne veer en twintig oere reège, als de nevelbank ('t zeeschip) in het Noorden met den kop naar het Westen staat, krijgt men binnen 24 uren regen. Dat het geloof aan zoo'n schip oud is, bewijst Mannhardt, Germ. Myth. 466 met een plaats uit Agobard († 840 als bisschop van Lyon): ‘contra insulsam vulgi opinionem de grandine et tonitruis’. Plerosque autem vidimus et audivimus tanta dementia obrutus, ut credant et quan-dam esse regionem quae dicatur Magonia, ex qua naves veniant in nubibus, in quibus fruges, qua grandinibus decidunt et tempestatibus pereunt, vehantur in eandem regionem, ipsis videlicet nautis aëreis dantibus pretia tempestiariis et accipientibus frumenta vel ceteras frugesZie ook Ons Volksleven VIII, 235: Grimm, Myth4 532, i.v. nebelschiff en Dr. Coremans, L'année de l'ancienne Belgique, bl. 133..

1104. Bij nacht zijn alle katten grauw,

d.w.z. bij nacht kan men geen onderscheid zien tusschen mooi en leelijk; de duisternis maakt alles even schoon (Huygens, Voorhout, 500); vgl. lat. nocte latent mendae; gri. λυχνου αρθεντος γυνη πασα η αυτη (Otto, 246). De zegswijze wordt aangetroffen bij Goedthals, 62: By nachte zyn alle cattekens grau, tous chats sont gris de nuist; in de Prov. Comm. 126: By nachte syn alle catten graeu; zoo ook bij Campen, 112; Servilius, 98; Tijdschrift XXI, 203; H. de Luyere, 25; Idinau, 285; Cats, 538 b: En keurt haer niet te naeu, by nachte, lieve vriend, syn alle katten graeu; Van Effen, Spect. V, 180, enz. Zie Harrebomée I, 384; Ndl. Wdb. VII, 1786; Eckart, 379 en vgl. Joos, 11: 's nachts (of 's avonds) zijn alle katten grijs, vert. van fr. la nuit tous les chats sont gris, waarnaast à la chandelle la chèvre semble demoiselle; hd. bei Nacht sind alle Katzen (oder Kühe) grau, schwarz (Wander III, 843); eng. in the dark all cats are grey; fri. by jountiid binne alle katten grau.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut