Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gram - (boos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gram 2 zn. ‘bitterheid, wrevel; toorn’
Mnl. grame ‘boosheid’, in hi toghedem sine grame ‘hij toonde hem zijn boosheid’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], des coninx grame ‘des konings toorn’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. misschien in by Judas gram ‘door Judas' bitterheid’, maar mogelijk is gram hier een bn., dus ‘door de toornige Judas’ [1521; WNT vernemen]; nnl. de gloed van uwen gram ‘de hitte van uw woede’ [1797; WNT], moeders gram ‘moeders boosheid’ [1857; WNT verdenking].
Daarnaast bestond het bn. mnl. gram ‘boos, toornig’: des wart aiol in herten gram ‘daarom werd Aiol in zijn hart kwaad’ [1220-40; CG II, Aiol]; vnnl. gram ‘boos’ [1599; Kil.], zeer frequent nog tot in de 20e eeuw: bin jij dan niet gram meer ‘ben je dan niet boos meer’ [1927; WNT verbidden].
Het zn. wordt niet in andere Germaanse talen gevonden, en is dus een uitsluitend Nederlandse afleiding van het bn. gram ‘boos’. Het is zeer weinig frequent (veel gebruikelijker is al vanaf de Middelnederlandse periode gramschap) en komt tussen de 16e en de 19e eeuw niet voor in het WNT-corpus; het is dus misschien rond 1800 opnieuw afgeleid van het bn. Verwant met → grimmig en → grommen.
Het bn. gram is wel algemeen Germaans: os. gram; ohd. gram (mhd. gram); oe. gram; on. gramr (nzw. gramse ‘nijdig’); alle ‘boos, vijandig gezind’; < pgm. *grama-.
Misschien verwant met: Grieks khremízein ‘hinniken’, khrómos ‘geknars, gehinnik’; Avestisch gram- ‘vijandig gezind zijn’; Litouws grumėti ‘donderen’; Oudkerkslavisch gromŭ (Russisch grom ‘donder’), grĭměti (Russisch gremét' ‘donderen’); bij de wortel pie. *ghrem- ‘een rommelend geluid (maken)’ (IEW 458). Pgm *gramaz kan evenals Grieks khrómos en Oudkerkslavisch gromŭ teruggaan op pie. *ghromos, en heeft in dat geval een betekenisverandering van ‘donder(end)’ naar ‘boos’ doorgemaakt.
gramschap zn. ‘toorn’. Mnl. laet dine grote gramscap vallen ‘laat je grote woede varen’ [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. rechtveerdighe gramschap ‘gerechtvaardigde woede’ [1567; WNT provoceeren], gramschap ‘toorn, woede’ [1599; Kil.]. Afleiding met het achtervoegsel → -schap van het nu verouderde bn. gram.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gram1* [boos] {1220-1240} oudsaksisch, oudhoogduits gram, oudengels gram, grom, oudnoors gramr [boos, vijandig]; buiten het germ. grieks chromos [geknars, gehinnik]; ablautend naast grimmig en grommen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gram 2 bnw. mnl. gram, os. gram, ohd. gram, oe. gram, grom, on. gramr ‘boos, vijandig gezind’; daarvan het ww. mnl. grēmen, vergrēmen, mnd. gremmen, ohd. gremjan, gremmen, oe. gremman . gremian, on. gremja, got. gramjan ‘boos maken’. — Zie: grimmig en grommen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gram II bnw., mnl. gram. = ohd. gram “boos, ontstemd, vijandig gezind” (nhd. gram), os. gram, ags. gram, grom, on. gramr “id.”. Het denominatieve “ʒramjanan, mnl. grēmen, vergrēmen, ohd. gremjan, gremmen (mhd. gremen, nhd. grämen), mnd. gremmen, ags. gremman, gremian, on. gremja “boos maken” komt ook voor in ʼt Got.: gramjan “id.”. Ablautend met grimmig, grommen. De wortel ghrem- duidde oorspr. een geluid aan, vgl. du. dial. gram “heesch”, gr. khremízō “ik hinnik”, khrόmos, khrόmados “geknars”, obg. gromŭ “donder”, vŭz-grĭměti “donderen”, lit. gruménti “van uit de verte donderen”. Een dgl. bet.-ontwikkeling als germ. *ʒrama- hebben ook av. gram- ”vijandig gezind zijn”, lit. grum̃sti “dreigen”, lett. grima ”norsche, booze persoon” doorgemaakt; vgl. ook ndl. brommig “boos, ontstemd” van brommen. Ohd. gramiʒʒôn, ags. gremettan, grim-, grymetian duiden nog geluiden aan: “brommen, brullen, knarsen”. Ten onrechte heeft men in nhd. schrummeln “donderen”, on. skrum o. “geleuter” oude idg. anlautsvarianten willen zien. Vgl. grol.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gram 1 bijv.(verstoord), Mnl. gram, Os. id. + Ohd., Mhd. en Nhd. id., Ags. id., On. gramr (De. gram), van denz. wortel als grim en grommen.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gram (zijn -- halen) (van Latijn grantum)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gram, vergramd, evenals grommen van ’t Voorgerm. ghromo (Got. grama) = knarsen van woede. – In gramstorig is storig afgeleid van storen, steuren = boos maken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gram* boos 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut