Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

graan - (zaadkorrel, koren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

graan zn. ‘zaadkorrels van koren; koren’
Mnl. graen, grane ‘korreltje, zaadkorrel’, maar ook al ‘koren, graansoort’, in: coren of hoy of grane ‘koren of hooi of graan(korrels?)’ [1240; MNW], met grane gheuodet ‘met graan gevoed’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], eist graen of steen ‘of het nu een korreltje gruis is of steen’ [1351; MNW-P], nu sal ic noemen de granen: coren, tarwe ende rugghe ... ‘nu zal ik de graansoorten noemen: weit, tarwe en rogge’ [1350-1400; MNW-P]; nnl. een graantje zout ‘een korreltje, snufje zout’ [1729; WNT vergezocht], het boontje koffie, het graantje rijst [1885; WNT rijst I].
Ontleend aan Latijn grānum ‘korrel’, dat verwant is met → koren. Zie ook → grein ‘korrel; gewichtje’, hetzelfde woord dat via het Frans is ontleend.
Dat een woord voor (de korrels van) een voedingsgewas aan het Latijn is ontleend, zou het gevolg kunnen zijn van het feit dat via de kloosters nieuwe graansoorten werden geïntroduceerd; ook woorden voor niet-inheemse kruiden en vruchten zijn via het Latijn van de kloosters in het Nederlands beland, evenals de woorden → kamer en → keuken.
De oorspronkelijke betekenis ‘korrel, zaadkorrel’ bestond tot in de 20e eeuw en is nog bewaard in de uitdrukking een graantje meepikken ‘meeprofiteren’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

graan1 [zaadkorrel, koren] {graen 1240} < latijn granum [korrel, pit, me. lat. koren, tarwe] (vgl. granaat, graniet).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

graan znw. o., mnl. graen ‘korrel, pit, merg, koren’ of < fra. grain of < lat. granum ‘korrel’. — Zie ook: grein.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

graan znw. o., mnl. graen o. “korrel, pit, merg, koren”. Of direct òf via fr. grain uit lat. grânum “korrel”. Zie grein. Voor de bet. “koren” vgl. koren I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

graan 1 o. (korrel), Mnl. graen, uit Lat. granum = koorn (z.d.w. alsook grein).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

graan s.nw.
1. Saadkorrel van verskeie koringgewasse. 2. Plante van die koringgewasse soos dit op die landerye staan.
Uit Ndl. graan (Mnl. graen).
Ndl. graan uit Latyn granum 'korrel, pit; koring'.
Eng. grain.
Vgl. granaat, graniet.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

graan (Latijn granum)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

graantje In 1804 voor het eerst aangetroffen, in Morgenslokje, een van de vroegste Nederlandse geschriften tegen drankmisbruik:

De man nam hem wel eens, dat weetje... Hij had mogelijk wat veel graantjens gepikt. Bij gelegenheid, dat er een nieuweling op den winkel was, was ’er getracteerd.

Deze borrelnaam komt meestal voor in de verbinding een graantje pikken, maar niet altijd. Zo vroeg A. Fokke Simonsz. zich aan het begin van de 19de eeuw af ‘zou de ziel dan somtijds in de graantjes zitten?’ En elders schreef hij: ‘hij lust wel een graantje’. Van Potgieter zijn de woorden ‘onthouding in de graantjes, mits overdaad in den wijn’, en Bilderdijk dichtte in 1817:

En daarvan nog het woord: een graantjen pikken.
’t Gebruik was zoo; nu zegt men liever: likken.

De naam verwijst vanzelfsprekend, op een verbloemende manier, naar het voornaamste ingrediënt van (graan)jenever. Een dronkeman werd een granen- of graantjespikker genoemd, en van iemand die beschonken was, zei men hij heeft graan in, hij is een granenbroer of hij is een groot man in de granen. De borrelnaam graantje is onlangs ook in Vlaanderen gesignaleerd. De Duitse tegenhanger, Korn, is in die taal een van de gewoonste benamingen voor ‘jenever’ en ‘borrel’. In het Amerikaans-Engels wordt corn in allerlei verbindingen gebruikt voor ‘whisky’, zoals in corn coffee en corn squeezings.
Vergelijk korentje.

[Almanak 68-69; Herroem 72; Morgenslokje 5; Mullebrouck 335; Nav. 3:285; WFT 7:335; WNT V 516]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Graan van ’t Lat. granum = korrel, Fr. grain, waarvoor bij ons grein (apotheeksgewichtje). Van ’t zelfde granum komt granaat = appel vol korrels (Granada = het land der granaten), ook: kogel vol korrels, evenals het edelgesteente, dat in korrels voorkomt. – Ook graniet: korrelige steen, behoort hier thuis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

graan ‘zaadkorrel, koren’ -> Fries graan ‘zaadkorrel, koren; borrel van graanjenever’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

graan zaadkorrel, koren 1240 [MNW] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

962. De horens opsteken,

d.w.z. zich verzetten, oproerig worden; trotsch worden, laten zien, dat men rijk is. In het mnl. komt de uitdr. voor in de Exc. Cron. 257 a; ook staat zij opgeteekend bij Sartorius I, 9, 37 met de verklaring: pro eo, quod est animo efferri: translatum a pecoribus, quae cornibus oppositis minantur. Vgl. Ndl. Wdb. XI, 1253; Lucifer, vs. 1717; Erasmus, CCXXIV; het eng. to show the bull-horns en no. 943. Den zin van: trotsch worden, zijne borst opsteken, de granen opsteken (mnl. en 17de eeuw) heeft de uitdr. ontleend aan de beweging van een hert, dat trots den kop in de hoogte steekt; bij Anna Bijns lezen wij haar in die bet. Refr. 322: Metten vercoornen vliet hooverdicheyt, steeckt niet op u hoornen yet; Sewel, 345; Halma, 227: Zijne hoorns opsteeken, zijn gezag toonen als men in bewind geraakt is; hd. seine Hörner aufstecken; fr. lever les cornes.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut