Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gouw - (landstreek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gouw 1 zn. ‘landstreek’
Onl. -gō en ofri. -gā in de plaatsnamen Nortgouue (verbogen vorm) ‘terrein, gebied in het noorden van Gelderland’ [790-93, kopie 1170-75; Künzel], Nordcha ‘Noordwijk Z-H’ [889, kopie ca. 1520; Künzel], Northgo ‘id.’ [918-48, kopie eind 11e eeuw; Künzel], Upgoa ‘het Gooi, terrein bij Houten (Utrecht)’ [10e eeuw; Künzel], de Goye ‘van het Gooi’ [1190; Künzel] ; mnl. goeu-, gau-, gho- in samenstellingen: goeudaghe ‘gouwdagen’ [1276-1300; CG I, 2863], gaughedinghe ‘gouwgeding’ [1276; CG I, 296], tghogherechte ‘het gouwgerecht’ [1294; CG I, 2097], goi, goy in van [d]en goye, vten ghoie ‘uit de gouw’ [1285; CG I, 495]; vnnl. gouw (met de aantekening “verouderd”) ‘land, landstreek, platteland, kanton’ [1599; Kil.], goo- in goograeve, gograef ‘(“verouderd, Saksisch”) gouwgraaf, rechter van lagere rang’ [1599; Kil.], meervoud goen [1600; WNT], goon [1642; WNT].
Os. -gō, -gā (mnd. ); ohd. gawi, gewi, gowi naast gawa, gowa, gawia, gowia (nhd. Gau); ofri. ga (Oost-Fries), -gō (nfri. -ga in gemeentenamen zoals Wolvega); oe. -gē; got. gawi ; < pgm. *gawi- ‘landstreek’. Nnl. goie (nnl. in de streeknaam Het Gooi ) gaat terug op de genitief *gaujis; onl. , ofri. gaan terug op de accusatief *gau.
Verdere etymologie onbekend. Misschien een zeer oude en samengetrokken afleiding pgm. *ga-agwja-, een collectiefvorming uit → ge- en *agwjō- ‘bij water behorend land’, waarvoor zie → eiland. Anders, gezien de geringe geografische verspreiding en het betekenisveld ‘terrein’, wrsch. een substraatwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gouw1* [gewest, landstreek] {in de vroegere Gelderse gebiedsnaam Nortgouwe <790-793>, gou(w), gau, go(oy) 1280-1287} oudhoogduits gĕwi, gouwi, fries , gotisch găwi; uiteenlopende vormen komen vooral in plaatsnamen voor, bv. het Gooi, Oostergo, Henegouwen, met fries ā in Wolvega; de vorm gouw ontstond uit de eerste nv., terwijl gooi uit de verbogen nv. voortkwam (vgl. gotisch gawi, 2e nv. gaujis); de etymologie is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gouw 1 znw. v., mnl. gouw, gou, gau, , gooy; in fries getinte taal gâ-, onfrank. -gauua, -gô, -gôie (in plaatsnamen), os. -gō, -gā, ohd. gawi, gewi, gowi, naast gawa, gowa, gawia, gowia, ofri. -gā, oe. -gē, got. gawi ‘gouw, landschap, streek’.

De etymologie van dit alleen westgerm.-gotische woord is onbekend; de herkomst uit een gaauja te verbinden met gr. óiē ‘dorp’, veelal aangenomen (laatstelijk verdedigd door Heinertz, Etym. Stud. zum Althochd. 48 vlgg.) blijft hoogst onzeker. Voor andere etymologieën zie Feist, Got. Etym. Wb. 210-211). — De vele vormen verklaren zich uit de verbuiging *gawi: gaujis; uit de nom. ontwikkelt zich gouw, uit de verbogen vormen gooi. De vorm , is dan uit *gau, dat uit *gaujis geabstraheerd werd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gouw znw., mnl (zelden buiten samenstelling) gouw, gou, gau, , gooy o., in fri. getinte taal ook gâ-. Ook in eigennamen zooals Henegouwen, het Gooi, Oostergoo, Wolvega; vgl. onfr. Rûracgauua, Rûriggô, de Upgôie. = ohd. gawi, gewi, gowi o. (naast gawa, gowa, gawia, gowia v.; nhd. gau m.), os. -gô, -gâ o. m., ofri. (in eigennamen owfii. ook -gô), ags. -gê, got. gawi o. “gouw, landschap, streek”. De oorspr. flexie was in ’t oudste Ndl.-Du.-Fri. evenals in ’t Got.: *ʒa-wi : *ʒau-jis, zoodat Gooi naar de oblique casus gevormd is, terwijl *ʒau (> onfr. os. -gô, os. ofri. ) een “neubildung” is, ook onder invloed van de casus obliqui ontstaan; vgl. kooi. Oorsprong onzeker. O.a. heeft men arm. gavai “landstreek” vergeleken of “ʒauja- als “roep, heirban” bij ĝheu- “roepen” (zie god) gebracht. Een grondvorm *ʒa-auja-, verwant met gr. oíē “dorp”, is niet wsch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gouw. Of ags. -gê hierbij hoort, is onzeker. De grondvorm * ʒa-auja-, verwant met gr. oíē ‘dorp’, blijft problematisch, ook na de steun, die Heinertz Et. St. z. Ahd. 49 vlg. eraan verleent door te wijzen op ohd. inouua ‘habitaculum’, dat hij als in-ouua wil lezen.
Arm. gavai drukfout voor gavaṛ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gooi 2 o. (streek), bijvorm van gouw 1 (z.d.w. en vergel. hooi).

gouw 1 v. (streek), Mnl. gouwe, gooi, go, Os. + Ohd. gouwa, gouwi (Mhd. gou, göu, Nhd. gau, gäu), Ags. -gé, Ofri. , Go. gawi, gen. gaujos: niet buiten Germ. Gouw beantwoordt aan de naamv. met awi; gooi en goo aan die met auj.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

ga 'dorp, dorpsgebied, streek'
Het Friese toponymische grondwoord ofri. , nfri. gea 'dorp, dorpsgebied, streek' is verwant met gouw 'woongebied. koningsgoed'. De ga-namen komen vooral voor in het zuiden en zuidoosten van Friesland en zijn gevormd in de periode van de 12e eeuw tot en met de 16e eeuw. Waarschijnlijk gaat het hier om een aanduiding van juridische of parochiale eenheden. Het zijn immers vaak niet de oudste namen van een nederzetting, getuige de volgende voorbeelden: 13e eeuw Abbahem (→ Abbega), 1370 Meynardiskerka (→ Minnertsga), 1132 vervalst kopie 13e eeuw Aldekerke (→Oudega) en idem Ipekeldekerke (→ Ypecolsga). Ga in plaatsnamen verwarre men niet met het laatste deel van het suffix -inga, dat patroniemen vormt van persoonsnamen (qua betekenis weergegeven met 'de lieden van', bijvoorbeeld in → Aekinga, → Buttinga, → Jardinga, → Loënga, → Makkinga en → Schurega).

gouw 'woongebied, koningsgoed'
Onl. goi, mnl. gouw, gou, gau, go, gooy, ofri. ga, os. -go, -ga, ohd. gawi, gewi, gowi, naast gawa, gawia, gowa, gowia, oe. -ge, got. gawi (genitief gaujis). Aangezien de oudste gouwnamen refereren aan gebieden die grenzen aan rivieren (o.a. Fivelgo, Hunsingo, IJsselgouw, Maasgouw, Rijngouw, enz.) is geopperd dat gouw teruggaat op germ. *ga-agwjô- 'woongebied aan weerszijden van een water'. Een ondersteuning voor deze etymologie zijn de oudste attestaties van Maasgouw (731-732 kopie 12e eeuw in pago Masao1), Oostergo en Westergo (na 735 kopie ca. 900 Uuistrachia et Austrachia insulas2), die wijzen op germ. *agwjô-, onl. ao, nnl. ooi 'land aan water', respectievelijk ofri. ache, nnl. oog 'land omgeven door water, eiland'. De beperkte geografische verspreiding en het betekenisveld (landschap) zijn voor anderen aanleiding te denken aan substraat3.
Oudste attestaties: 790-793 kopie 1170-1175 in Nortgouue (gebied in het noorden van Gelderland)4, ca. 837 kopie ca. 1000 Mosagao (gebied aan weerszijden van de Maas, Lb)5, 840-849 kopie ca. 1000 Fivilga (Fivelgo, gebied Gr)6, idem Hunusga (Hunzingo, gebied Gr)7, 889 kopie ca. 1520 Nordcha, 918-948 kopie 11e eeuw Norhtgo (→ Noordwijk2)8, 10e eeuw Upgoa (→ 't_Goy)9, 1086 kopie 12e eeuw Islegowe (ligging onbekend, gebied bij de IJssel)10, idem Ostrogowe (Oostergo, gebied Fr)11, idem Westrogowe (Westergo, gebied Fr)12, 1129 kopie 1480 Fledetgo (Flehite, gebied in het oosten van Utrecht)13, 1133 Suthegoe (ligging onbekend, in Friesland)14, 1200 Goie (→ Gooi)15.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 244, 2Idem 393, 3ENW II 314, 4Künzel e.a. 1989 263, 5Idem 244, 6Idem 138, 7Idem 194, 8Idem 261, 9Idem 151, 10Idem 198, 11Idem 274, 12Idem 394, 13Idem 138, 14Idem 337, 15OBGZ.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gouw* gewest, landstreek 0790-793 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut