Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goud - (scheikundig element, edelmetaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

goud zn. ‘scheikundig element (Au), edelmetaal’
Onl. bigerlika over golt ‘kostelijker dan goud’, in gevon sal imo fan goldi Arabie ‘en men zal hem geven van het goud van Arabië’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. geuit eme siluer ende golt ‘geeft hem zilver en goud’ [1201-25; CG II, Floyr.], uan roden golde ‘van rood (= donkergeel = zuiver) goud’ [1220-40; CG II, Aiol], warp in een vier een stic van goude ‘wierp in een vuur een klomp goud’ [1285; CG II, Rijmb.], noch goyt noch seluer ‘noch goud noch zilver’ [1276-1300; CG II, Lut.A].
Ontstaan uit ouder gold, zie → koud.
Os. gold (mnd. golt); ohd. gold (nhd. Gold ); ofri. gold (nfri. goud); oe. gold (ne. gold ); on. gull, goll (nzw. guld ); got. gulþ-, alle ‘goud’; < pgm *gulþ-a- ‘goud’. De overgang -u- > -o- is het gevolg van a-umlaut. Uit het Germaans ook Fins kulta ‘goud’.
Verwant met: Litouws geltas, geltonas ‘geel’, želtas ‘goudgeel, blond’, Lets dzęlts ‘geel’, zęlts ‘goud’; Oudkerkslavisch zlato ‘goud’ (Russisch zóloto, Tsjechisch zlato); < pie. hlh3-to- (Germaans), helh3-to-, holh3-to- (IEW 423), bij de wortel pie. helh3- ‘geel, glanzen’ (IEW 429, 430), zie → geel.
gouden bn. ‘van goud’. Mnl. golden ‘id.’ [1240; Bern.], een ... fijn guldijn bant ‘een band van zuiver goud’ [1285; CG II, Rijmb.], eenen goudinen rinc ‘(gaf hem) een ring van goud’ [1285; CG II, Rijmb.], gecroent met eenre goldenre cronen ‘gekroond met een kroon van goud’ [1290-1310; MNW-P]. Afleiding van goud. De vorm golden is afgeleid van mnl. golt, de vorm gulden gaat terug op het stoffelijk bn. pgm.*gulþ-īn-, waaruit zich met i-umlaut de Middelnederlandse vorm guldijn, guldin ontwikkelt. Naar analogie van het zn. goud wordt dan reeds vroeg in het Middelnederlands de vorm van het bn. aangepast tot goudin, gouden, en/of wordt met het nog steeds productieve achtervoegsel -en (< pgm. *-īn) van goud een nieuw bn. afgeleid. Zie ook → gulden 1 en → gulden 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

goud* [chemisch element] {oudnederlands golt 901-1000, middelnederlands gout} (waarin -out klankwettig < -olt, vgl. ook gulden), oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels gold, verwant met geel1, dus het ‘gele metaal’. De uitdrukking iemand in goud beslaan betekent eig. ‘iemands lijk of zijn hoofd met goud beslaan om het op een altaar te vereren’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

goud znw. o., mnl. gout, onfrank. golt, os. ohd. ofri. oe. gold, on. gull, goll, got. gulþ, krimgot. goltz. — Naast idg. *ĝhḷtom staat *ĝholtom in osl. zlato, lett. zèlts en met andere formatie: oi. híranya-, av. zaranya ‘goud’. Het woord duidt eig. het geelglanzende metaal aan. — Voor de idg. wt. *ĝhel zie: gal.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

goud znw. o., mnl. gout (d) o. = onfr. golt (d), ohd. (nhd.) os. ofri. ags. (eng.) gold, on. gull, goll, got. gulþ) o.“goud”. Uit ’t Germ. finsch kulta “goud”. Ablautend met obg. zlato, lett. felts, oi. hâṭaka- “goud” ( ’t laatste ook als landnaam: “goudland”). Van de bij geel besproken basis ĝhel-, waarvan ook oi. híraṇya-, av. zaranya- “goud”, operz. dareikós “goudstuk”, met gh (of gh?) phryg. glourós khrusós, glourḗa; khruséa (Hes.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

goud o., Mnl. id., Onfra. golt, Os. gold + Ohd. gold (Mhd. golt, Nhd. gold), Ags. id. (Eng. id.), Ofri. id., On. gull (Zw. gull, De. guld), Go. gulþ + Osl. en Ru. zlato, Skr. hātakam (d.i. *ghaltak-); aan ’t Germ. is ontleend Finn. kulta en aan 't Slav. het Mag. izlot en Lit. zalatiti. Het woord vertoont den zw. graad van den wortel van geel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

goud s.nw.
1. Tipe edelmetaal. 2. Voorwerpe van goud (goud 1) gemaak. 3. Munte van goud (goud 1); geld, rykdom. 4. Simbool van deug, voortreflikheid.
Uit Ndl. goud (Mnl. gout in bet. 1 - 3, 1655 in bet. 4). Omdat die kleur van goud geel is, gaan gal, geel en goud terug op dieselfde Germ. wortel ghel-, en die lett. bet. van goud is 'die geel metaal'. Die -oud/-out het klankwettig uit ouer -ald/-alt of -old/-olt ontwikkel, en vandaar die wisseling tussen Ndl. en Afr. goud en bv. D. Gold en Eng. gold. Omdat goud alg. as die edelste metaal beskou word, het dit as maatstaf van goeie hoedanighede gegeld, en vandaar bet. 4.
D. Gold, Eng. gold, Sweeds guld.
Vgl. gulde.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Goud (Au, 79). → Aurum.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Goud komt van den Idg. wt. ghel, zie Geel: het gele metaal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

goud ‘chemisch element’ -> Chinees-Maleis khowt ‘chemisch element’; Negerhollands goud, gout, gaut ‘chemisch element’; Negerhollands gaut, goud ‘chemisch element’; Berbice-Nederlands gautu ‘chemisch element’; Skepi-Nederlands gaut ‘chemisch element’; Sranantongo gowtu (ouder: gontoe, goudu) ‘chemisch element’; Saramakkaans góútu ‘chemisch element’ ; Surinaams-Javaans gautu ‘chemisch element’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

goud* chemisch element 0901-1000 [WPs]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

goud, informeel voor ‘te gek; erg goed; tof’. Wellicht ontleend aan het studentenslang van de jaren zeventig.

‘Goh oma gefeliciteerd, hoor, ja, ik heb m’n verfkleren nog aan, maar...’ ‘Nou jongen, je hebt tenminste wát aan, hahaha!’ Vond ik goud. (Nieuwe Revu, 09/04/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

208. Iemand gouden bergen beloven,

eene vertaling van het lat. montes auri polliceri, dat bij Terentius, Phorm. 1, 2, 18 voorkomt (vgl. Journal, 249; Büchmann, 359). De zegswijze dateert bij ons uit de 16de eeuw. Zie Van Lummel, 135: Men beloofde hun berghen van gout, d.w.z. stapels, hoopen goud. Voor andere plaatsen zie het Ndl. Wdb. II, 1866 en 1748; vgl. fr. promettre à qqn des monts d'or; promettre monts et merveilles; hd. einem goldene Berge versprechen; eng. to promise a p. whole mountains of gold.

31. Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding.

d.w.z. ‘fraaie kleederen en sieraden kunnen een leelijk mensch niet bevallig maken, of: pracht en praal verheffen niemand tot den beschaafden stand’; Ndl. Wdb. I, 527. De zegswijze is eene navolging van het lat. simia est simia et si aurea gestet insignia. Bij Servilius, 78 lezen wij Een simme blyft altyd een simme; Spieghel, 288: Een aap is een aap, al droeghze een goude huif (zoo ook bij Cats, 424); De Brune, 240:

 Een simm' in 't purper blijft een simm,
 Ghelijck zy was, zoo blift-ze slim'.

Tuinman I, 89: Een aap blyft een aap, al droeg hy een gouden ring. Het naast aan onzen vorm komt Sewel, 20: Al draagt een aap een gouden ring, 't is evenwel een leelyk ding.

In het Nederduitsch luidt de spreekw.: 'n Ape is un blift 'n Ape, un dröge he auk sidene Schlîpklêer un goldene Kîen un Spangen (zie Eckart, 7); in het Friesch: in aep bliuwt in aep al het er in rôk oan en in prûk op; zie W. Dijkstra, 279 en vgl. Harreb. I, 3 b; III, 100; hd. Affen bleiben Affen, wenn man sie auch in Seide, Sammet und Scharlach kleidet; eng. an ape 's an ape, a varlet 's a varlet, tho' they be clad in silk or scarlet; fr. le singe est-il vêtu de pourpre, est toujours singe.

100. Gouden appelen in (of op) zilveren schalen.

Dit wordt toegepast op de ‘vrucht der redenaarskunst’, wanneer men een meesterstuk van welsprekendheid wil aanduiden, voortreffelijk van inhoud en vorm. De zegswijze is ontleend aan Spreuken 25, 11: ‘Een reden op sijn pas gesproken, is als gouden appelen in silvere gebeelde schalen’. Zie het Ndl. Wdb. II, 552; Korenbl. II, 404; Vondel's Harpoen, vs. 105; Kalv. I, 16: Zijn woorden waren van pas als zilveren appelen in een gouden vlechtwerk; Nkr. V, 9 Sept. p. 4:

 Daer schettert Ruys de Beerenbrouck
 Woest tegen de socialen,
 Geeft tal van gouden appelen
 Op zuiver zilveren schalen.

Hd. goldene (güldene) Aepfel in silbernen Schalen (Zeitschr. f. D. Wortf, IX, 291; XIII, 91); eng. apples of gold in pictures of silver.

718. Er is geen goud zonder schuim,

d.w.z. niets is zoo goed, of er valt nog wel iets op aan te merken; niets is volmaakt; hd. es ist kein Gold (oder Silber) ohne Schaum; fr. nul or sans écume; eng. no gold without dross; fri. gjin goud sonder skûm. Zie Goedthals 129: Ten is gheen coorne sonder caf, gheenen wyn sonder droessem, gheen goudt sonder schuym, chacun grain a sa paille; De Brune, 402: Gheen goud en vind-me zonder schuym; Mergh, 20: Geen gout sonder schuym; Van Effen, Spect. IV, 240; Sewel, 292; Harrebomée I, 253 b; Wander I, 1789.

719. Het is al geen goud wat er blinkt,

d.w.z. niet al wat schoon voor oogen is, is ook innerlijk degelijk; schijn bedriegt; Harreb. I, 253 b. In de middeleeuwen: Ten is niet al gout, dat daer blinckt; Goedthals, 68: Ten is niet al gout, dat daer blinckt, tout ce qui reluist, n'est pas or; Prov. Comm. 623: Ten is niet al gout dat daer blinct, auri natura non sunt splendentia plura; Spieghel, 267; Paffenr. 96; Idinau, 81:

T'en is niet al goudt, dat schoone blinckt,
Dat blijckt aen ratel-goudt, coper, latoen:
So rieckt hy alder-meest, die alder-vuylst stinckt,
En deckt veel quaedts, onder 't schijn van wel-doen.
Wijse nochtans altijdts het beste be-moen.

Zie ook Tuinman I, 106; Joos, 148; 't Daghet XII, 144: 't Is niet al goud dat blinkt en ook niet al strond dat stinkt. Dat het spreekw. in zeer vele talen bekend is, bewijst Wander I, 1789 met tal van voorbeelden. In andere uitdrukkingen en zegswijzen wordt goud als het edelste der metalen genomen als maatstaf van betrouwbaarheid, degelijkheid en deugd. Vandaar: een hart als goud (of van goud, fr. un coeur d'or); zoo eerlijk als goud; zoo trouw als goud (in de Gew. Weuw. III, 5); spreken als goud (gulden woorden spreken); zeker als goud (Kl. Brab.; Waasch Idiot. 263 b). Vgl. fr. tout ce qui reluit n'est pas or; hd. es ist nicht alles Gold was glänzt; nicht jeder Stein ist ein Edelstein; eng. all is not gold that glitters; mlat. es quodcumque rubet, non credas protinus auram; non est aurum omne quod radiat (Werner, 3).

720. Iemand in goud beslaan.

De bedoeling is iemands dood lichaam of zijn hoofd (vgl. Gijsbr. v. Aemstel vs. 189) in goud beslaan, om dat bijv. op een altaar uit te stallen en te vereeren; fri. immen yn goud bislaen. De oorspr. uitdr. komt in de 16de eeuw voor bij Marnix, Byenc. 48 r: Daerom is Meester Gentianus wel weerdt, datmen hem in Goudt beslae, ende op den Autaer sette, n.l. om hem als een heilige te vereeren, zooals blijkt uit Reynaert II, 4827-29:

dunct hi u so goet, so claer,
so setten op enen outaer
ende doetten voor enen sant aenbeden.

Voor deze verklaring zie Verdam in Feestbundel, 143 en vgl. Ndl. Wdb. V, 461; II, 2018; Bank. II, 295: En niemant zoo los en ruym van leven, of een derden-deel looft, en zet hem op den hooghen autaer; Langendijk, Wederz. Huw. 1356: Ja wel, men hoord je beeld te zetten van klinkklaar goud gemaakt, vlak op de vuilniskar. In het Fransch kent men in dezen zin il faudrait le brûler pour en avoir de la cendre; vgl. verder het hd. einen in Gold fassen; het lat. statuam ex auro alicui statuere; en voor het Grieksch Lucianus Pseudol. 14: χρυσους, φασιν, εν Ολυμπια σταθητι (zie Otto, 49); thans in het Grieksch: zij is voor hem een amulet (of reliquie) en een kruis.

765. Eigen haard is goud waard,

d.w.z. een eigen tehuis, een eigen woning is veel waard. Dit in vele talen algemeen gebruikt spreekwoord komt in de latere middeleeuwen voor bij Goedthals, 24: eyghenen heerd is gouts weert; Prov. Comm. 336: eyghen heert es gout weert, est quasi qui proprius aureus ipse focus; Campen, 122; Sart. I, 2, 59: eyghen haert is gout waert; Spieghel, 292; Idinau, 84:

Men secht ghemeynlijck: Eyghen heerdt
Dats eyghen woonste, en s' huys verlichten,
Midts ruste en vrydom, is prijsens weerdt;
Maer eyghen bedde, gaet boven s' goudts ghewichten.
Die vrydom verachten, zijn der slaven nichten.

Mlat Est dictum verum privata domus valet aurum (Werner, 27); zie verder Bebel, 453: proprius focus auro comparandus; mhd. vil guot ist eigen gemach; Wander II, 527: eigener Herd ist Goldes wert; eng. the smoke of a man's own house is better than the fire of another; Ndl. Wdb. v, 1436.

1555. De morgenstond heeft goud in den mond,

d.w.z. ‘vroeg opstaan is profijtelijk’; hd. Morgenstunde hat Gold im Munde; ook Morgenstunde hat plumbierte Zähne (zie Germ.-Rom. Monatschr. IX, 58); bij Joos, 150: de morgenstond heeft goud (of rozen) in den mond; morgenwerk, gulden werk. Vgl. verder Pers, Bellerophon I, 145: De Morgenstondt draeght Honingh in den Mondt; Tuinman I, 173 met de verklaring dat ‘wel bestede morgenuuren groot voordeel toebrengen’; Sewel, 499; W. Leevend I, 209; Martinet, no. 16.

De zegswijze komt ook in het Deensch en in het Zweedsch voor: Morgenstund har guld i mund; Morgonstund haar guld i munn (Wander III, 733; 734). De voorstelling, dat de morgenstond, Aurora, goud in haren mond draagt, vindt men in velerlei volkssagen. In de Zweedsche valt een gouden ring uit haren mond, als zij lacht, in de Noorweegsche vallen goudstukken uit haren mond, als zij spreekt, en uit haar haren, wanneer zij zich kamt. In de Deensche vallen edelgesteenten uit haren mond en goud en zilver uit het haar, en in de Rumeensche valt goud en zilver uit haar haar, wanneer zij zich kamt. Zie Harreb. III, 453; Villiers, 83; Borchardt, bl. 201 noot; Germania XXV, 80; Wander III, 733; Ndl. Wdb. V, 465; IX, 1059 en Brunner, Deutsche Rechtsgeschichte I, 71, anm. 6, die de verklaring meent te moeten zoeken ‘in einer steifleinenden Schulmeisterwitz über das wort aurora (aurum in oraZeitschrift des Algem. Deutschen Sprachvereins XVII, bl. 321; Fr. Seiler, Deutsche Sprichwörterkunde, 23-24.)’. Zie evenwel Taal en Letteren XIII, 575, waar gewezen wordt op het Hongaarsche gezegde: die vroeg opstaat vindt een goudstuk, en mond gehouden wordt voor een zich als van zelf voordoend rijmwoord, daar men niet te veel achter zoeken moet; vgl. avondrood, water in de sloot; mist, vorst in de kist; het is een moord in een mandje; zoo zat als 'ne patat (in Antw. Idiot. 1960); met lijpen en drijpen (Antw. Idiot. 1875); in Drenthe: zoo wies as 'n patries; zoo dom as 'n koffietrom; fri. mei in hei (drift) en in bei, en dergelijke. Zie no. 1465.

2141. Spreken is zilver maar zwijgen is goud.

Deze gedachte wordt in het mlat. uitgedrukt door scire loqui decus est, decus est et scire tacere (Werner, 88). Den tegenwoordigen vorm van deze spreuk heb ik niet eerder dan in onze eeuw aangetroffenWel komt in den bijbel voor Psalm XII, 7: ‘De woorden van Jahwe zijn reine woorden, zilver, gezuiverd in den smeltkroes’; Spreuken, X, 20: ‘Uitgelezen zilver is de tong des rechtschapenen,’ doch hieraan kan de spreuk niet zijn ontleend. Volgens Wander III, 1559 is ze ontleend aan de Arabieren; in de Koran komt ze echter niet voor. Bij de kerkvaders is dikwijls sprake van het zilver van het spreken en het goud der wijsheid of der deugd (Archiv XIII, 259).; voor Zuid-Nederland zie Antw. Idiot. 1165. Vgl. ook hd. Reden ist silber, Schweigen ist gold; fr. la parole est d'argent, la silence est d'or; eng. speech is silvern, silence is golden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut