Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gospel - (Afrikaans-Amerikaans godsdienstig lied)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gospel zn. ‘Afrikaans-Amerikaans godsdienstig lied’
Nnl. eerst in de samenstelling gospelsong ‘godsdienstig lied van Amerikaanse negers, variant van de negro spiritual’ [jaren 1950; van Nierop 1975], gospel ‘in de christelijke negergemeenten in Noord-Amerika gezongen liederen’, gospelmuziek [1974; Koenen].
Verkorting van gospelsong, ontleend aan Amerikaans-Engels gospel song ‘gloedvol lied met evangelische boodschap gezongen door negers’ [1959; OED], eerder al algemener ‘lied met bekeringsboodschap’ [1905; OED], ook al in de titel Gospel Songs van P.P. Bliss [1874; Grove]; een samenstelling van gospel ‘evangelie’ en song ‘lied’. Gospel ‘evangelie’ gaat terug op Oudengels godspell, gōdspel ‘id.’ [ca. 750; BDE], een samenstelling van gōd ‘goed’ zie → goed 1, en spell ‘boodschap, verhaal’, zie → spellen, als vertaling van Grieks euangélion ‘evangelie’, letterlijk ‘goede boodschap’, zie → evangelie. Song is verwant met → zang en → zingen.
Rond 1870 kwam in de protestantse kerken in de Verenigde Staten het zingen van gospel hymns of gospel songs op, min of meer populaire liedteksten met bekeringsboodschappen, gezet op bekende melodieën. Binnen de evangelische kerkgenootschappen in Amerika en later ook Engeland nam het schrijven en componeren van deze liederen een grote vlucht. Tijdens de Crisis in de jaren 1930 kwam de Afro-Amerikaanse gospeltraditie tot bloei, die gebaseerd is op de blanke gospel song, maar tevens voortborduurt op de negro spiritual en de veel oudere traditie van het juichen en zingen rond de prediking in de Amerikaanse zwarte kerken en die ook allerlei elementen van jazz en blues bevat. Deze zwarte traditie heeft zich niet beperkt tot de kerken, maar is nog steeds wijd en zijd te horen op gospelconcerten, in musicalachtig theater en op radio en cd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gospel [godsdienstig negerlied] {na 1950} < engels gospel [evangelie], oudengels gōdspell, van gōd [goed] + spell [verhaal, boodschap] (vgl. voorspellen); een vertaling van latijn evangelium (vgl. evangelie).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gospel s.nw.
Gospelmusiek.
Uit Amer.Eng. gospel (1956).
Amer.Eng. gospel is 'n verkorting van gospel music (1955).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gospel (Engels gospel)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gospel godsdienstig negerlied 1959 [Enc. van de muziek] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut