Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gortig - (smerig; grof, cru)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gortig bn. ‘smerig; grof, cru’
Vnnl. gortighe varckens ‘varkens met een ziekte’ [begin 16e eeuw; WNT vleesch]; gortig ‘onrein’ [1632; WNT]; nnl. het gortig maken ‘het (te) ver drijven’ [1784; WNT].
Wrsch. een afleiding met het achtervoegsel → -ig van → gort; de varkensziekte trichinosis wordt (het) gort genoemd vanwege de gortachtige balletjes in het spierweefsel van het zieke dier, maar zie ook → garstig. Het vlees van een gortig varken is ook gortig: ‘besmet, onrein, smerig’. Die betekenis wordt uitgebreid tot ‘smerig’ in het algemeen en later overdrachtelijk tot ‘onbehoorlijk, grof, te ver gaand’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gortig* [garstig, smerig] {gortich 1456, vgl. gardigh 1320} van garde [roe, prikkel]; het woord werd oorspr. gebruikt voor varkens die lijden aan trichine, waarvan de larven zich inkapselen in gortachtige bolletjes, zodat een volksetymologische associatie met gort ontstond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gortig bnw., mnl. gortich ‘van het vlees van varkens die aan de trichine lijden, waardoor gortachtige korrels ontstaan; vuil, smerig’. — Afl. van gort.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gortig bijv., van gort 2.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gortig* erg, grof 1784-1785 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

717. Het gortig (ook te of al te gortig) maken,

d.w.z. het te bont maken, al te grof maken (18de eeuw), het leelyk door de gort roerenN. Taalgids XIII, 132.. Eigenlijk beteekent gortig, garstig, ongansch, vinnig, en wordt het van varkens gezegd, die aan het gort (d.i. gerst- en gortachtige korrels in 't vleesch hebben) lijden: later bij uitbreiding vuil, smerig, onzuiver, niet netjes; vgl. Kil.: Koren op de tonghe j. gorte, grando; gortigheyd, het gort, grando, lepra qua porci infestantur; Goedthals, 33: Ein coirne op de tonghe hebben, il a poil sur la langue, d.w.z. hij heeft iets op zijn geweten, is niet geheel zuiver; vgl. Tuinman I, 16; 314: Hij heeft geen gortje op de tong; Harreb. II, 338; Ndl. Wdb. V, 451; Molema, 130; fri. it goartich meitsje; vgl. 16de eeuw: wat of veel (quaet) graens op sine tonghe hebben, iets op zijn geweten hebben, niet zuiver zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut