Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gort - (graan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gort zn. ‘gepelde gerst’
Mnl. eerst in de persoonsnaam arnulphus gortemakere [1272; CG I, 231]; dan als zn. in van gurte ‘inzake gepelde gerst’ [1285; CG I, 1021], melc met gortte ‘melk met gepelde gerstekorrels, gortepap’ [1351; MNW-P].
Nevenvorm van → grut met metathese van de -r-, zie verder aldaar.

grut zn. ‘gruis, kleine dingen; verbrijzeld graan’
Vnnl. gruit ‘gort’, gruyte, grutte ‘gierst’ [1599; Kil.], grut ‘grof gemalen haver of boekweit’ en grutten (mv). ‘gerecht daarvan gekookt’ in grutten ‘gruttenpap’ [ca. 1600; WNT], erten, boonen, grut en wortlen [1617; WNT], grut ‘stukjes, brokjes, kleine dingetjes’ in grut, gruys, schulpen of andere vuyligheyt ‘stukjes, gruis, schelpen of andere verontreinigingen (in kalk)’ [1663; WNT], grut beteekend al het geen klein gebrooken is [1681; WNT], kleyn grut ‘uitschot, klein goed’ [1691; WNT]; nnl. overdrachtelijk: het kleine grut ‘de kinderen’ [1840; WNT]; ook het verkleinwoord: grutjes met stroop ‘pap van grutten met stroop’ [1895; WNT].
Dit erfwoord verschijnt in het Nederlands tevens in de vormen → gort, gries zie → griesmeel, → grit, gruwel in → watergruwel, en gruit ‘stof gebruikt bij bierbrouwen; bieraccijns; droesem’, dat als oudste van deze varianten geattesteerd is: onl. gruit ‘bieraccijns’ [999; Slicher van Bath], grut ‘stof bij bierbrouwen gebruikt; bieraccijns’ [1159; Slicher van Bath]; misschien is → gruis ook een van de vormen. In het Vroegnieuwnederlands worden gort, gruit en grut ook wel door elkaar gebruikt en is niet altijd duidelijk welke betekenis aan welke vorm moet worden toegekend.
Ohd. gruzzi (nhd. Grütze ‘grutten, gort(epap)’); oe. grytt (ne. grits ‘grutten, gort’); < pgm. *grutja- ‘in grove stukjes gewreven, grof gemalen’. Hieruit met metathese bovendien: mnl. gorte, gurte, zie → gort; mnd. gürte, gorte ‘gort, grutten’. Daarnaast ablautend oe. grot ‘klein deeltje’ (ne. groats ‘grutten, havergort’) < pgm. *gruta- en on. grautr (nzw. gröt ‘pap’) uit pgm. *grauta-. Afleiding van pgm. *gr-ū-t-, waaruit: onl. gruit (zie boven); os. grūt ‘gruit, gruitbier’; mhd. grūz ‘(zand)korrel’ (nhd. Grauss); ofri. grēt ‘zand’; oe. grūta (mv.) ‘gort, meel’ (ne. grout). Met andere ablaut pgm. *gr-eu-t-, waarbij: mnl. griet ‘steengruis’; os. griot ‘zand, zandkorrel’ (mnd. grēt ‘id.’); ohd. grioz ‘id.’ (nhd. Griess, zie → griesmeel); oe. grēot ‘zand, kiezel’ (ne. grit ‘(steen)gruis; kloekheid’); on. grjót ‘steen’ (nzw. gryta ‘stoofpan, ijzeren pot’); bij deze laatste groep ook Frankisch *greot, waaruit via het Frans → gruis.
Etymologie onduidelijk. Wrsch. verwant met: Litouws grūdas ‘graan’; Kerkslavisch gruda ‘aardklomp’ (Russisch grúda, Tsjechisch hrouda); zonder d-suffix Welsh gro ‘zand’; Oudcornish grou ‘kiezel, gruis’; < pie. *ghr-eu-d- ‘stuk wrijven’, een uitbreiding bij pie. *gher- ‘wrijven’ (IEW 459-460), zie ook → gruwen, en → grond, en ook verwant met een andere uitbreiding, pie. *ghr-eu-bh, zie → grof.
Volgens IEW bestaat er verband met het Germaanse bn. *graut-, zie → groot, en Oudnoords grautr ‘pap’ (Nieuwzweeds gröt), omdat groot oorspronkelijk ook ‘dik’ en ‘grofkorrelig’ zou betekenen.
Ook Nieuwfrans gruau ‘havergort, grutten’, Oudfrans gruel, Gallo-Romaans *grutellum, met verkleinuitgang ontleend aan Frankisch *grūt; uit de Oudfranse vorm gruel Nederlands (water)gruwel ‘dunne gortepap’ en Engels gruel ‘watergruwel, haverpap’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gort* [gepelde gerst] {gort(e), gurte [gort, grutjes] 1286} een vorm met metathesis van r, vgl. grut1, middelnederduits gorte, oudhoogduits gruzzi; ablautende varianten zijn middelnederlands griet, oudnoors grjót [grof zand], oudsaksisch griot (vgl. gries); buiten het germ. latijn rudus [stukje steen, puin], litouws grūdas [graan], oudkerkslavisch gruda [steenhoop] → griend1, grind2, gruis.

grut1* [graan] {grutte [gierst] 1599} variant van gort.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gort znw. m., mnl. gorte, gort, mnd. gorte ‘grutjes, gort’, ohd. gruzzi (nhd. grütze), oe. grytt (ne. grit) ‘grutjes, meel’. — Daarnaast staat grut (Kiliaen grutte Zeel.), dat een dial. vorm zonder metathesis van r zal zijn. — Germ. grondvorm *grŭtja, afgeleid van *grŭta vgl. oe. grot ‘klein deeltje’. Ablautsvormen zijn: *greuta in mnl. griet ‘grof zand, steengruis’, os. griot, ohd. grioʒ (nhd. griess > griesmeel), oe. grēot ‘zand, kiezel, strand’, on. grjōt ‘steen’; dan *grauta vgl. on. grautr ‘brij, gort’ en *grūta vgl. mnl. grûte, gruut, nnl. gruit ‘stof voor bierbrouwen’, oudnnl. ook ‘heffe, desem’, mhd. grūʒ (nhd. graus, grauss) ‘zandkorrel, graankorrel’, os. grut ‘gruit, gruitbier’, oe. grut ‘bezinksel, gort, meel’ (ne. grout), ofri. grēt- ‘zand’. — osl. gruda ‘aardklomp’, lit. grudas, lett. grauds ‘graan’, lat. rudus ‘verbrokkelde steen, puin’, gr. chraíō, chraúō ‘licht wonden, schrammen’, chrṓs ‘huidoppervlak’, kymr. gro ‘zand’. — De idg. wt. *ghreu ‘stukwrijven’ is afgeleid van *gher, vgl. gr. chérados ‘kiezelzand’ (IEW 460).

De grondbet. is dus ‘wat fijngestoten is’, en vandaar behalve ‘kiezel’ of ‘zand’ ook ‘graankorrels’ die grofgemalen tot het bereiden van pap gebruikt werden. — Zie verder: griend en gruis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gort znw., mnl. gorte, gort (v.?) Met metathesis; vgl. kikvors. = ohd. gruzzi o. (nhd. grütze v.), mnd. gorte v. “grutjes, gort”, ags. grytt. v. (eng. grit) “grutjes, meel. Nndl. grut zal óf een dial. vorm zijn (vgl. de vormen zonder en met metathesis bij wrat en Kil. “grutte Zeland, j. hirs. Milium”, dus= “gierst”) òf naar hd. grütze gemaakt. Van grut komt grutter: Zaansch gorter. Grut in klein grut is ’t zelfde woord, ’t Grondwoord van *ʒrutja-, -ô- is germ. *ʒruta-: ags. grot o. “klein deeltje”. Met ablaut: 1. mnl. griet o. “grof zand, steengruis”, mhd. grieʒen “stukslaan”, ohd. grioʒ m. o. “zand, kiezel, strand” (nhd. griess m.; zie griesmeel), os. griot o., ags. grêot o. “id.”, on. grjôt o. “steen, steen om mee te bouwen”, 2. on. grautr m. “brij, gort”, 3. ndl. gruit (verouderd), mnl. grûte, gruut v. “een stof voor bierbrouwen gebruikt, recht van de gruit”, oudnnl. ook “heffe, deesem, draf”, os. grût v. “gruit, gruitbier”, ags. grût v. “bezinksel, gort, meel” (eng. grout), mhd. grûʒ m. “zand-, graankorrel (nhd. graus, grauss); hierbij sluit zich misschien ofri. grêt (in samenst., = “arena”) aan *ʒruti-?). Lat. rûdus “puin, verbrokkelde steen”, russ. grûda “steenhoop”, lit. grúdas “korrel”, grúdżu, grûsti “stampen” zijn verwant, en zonder d kymr. gro “kiezelzand”. Zie griend en gruis. Uit ’t Germ. ook rom. woorden, zooals fr. gruau “gort, brij” > eng. gruel “id.”, uit ’t Hd. it. gruzzo “hoop van bijeengebrachte voorwerpen”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gort. Lat. rûdus ‘puin’ kan ook bij lat. ruo ‘ik ruk uit, woel’ (zie rooien II) behoren. Naast mnd. görte ook zonder metathesis grütte v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gort 2 v. (varkensziekte), hetz. w. als gort 1., omdat zich bij die ziekte korrels in het vetweefsel vormen.

grut 1 v., ontleend aan Ndd. grut, waarvan gort de metathese is + Hgd. grütze, Eng. grit; verwant met gruis, gruit, griet: z. gruwel 2.

gort 1 v. (grut), Mnl. gorte + Ohd. gruzzi (Mhd. en Nhd. grütze), Ags. grytt (Eng. grit), verwant met gruit en gruis. Uit het Germ. het Ofra. gruel (Nfra. gruau), waaruit dan weer Eng. gruel en ons gruwel 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Gort snw. Segsw.: Die gort is gaar, die poppe is aan die dans. – “Het gort is gaar, hij is boos;” Ter Laan 270: “De görde is goar! de maat is vol;” Eckart 173: Nu is de Göerte gar. W(estfalen); ook reeds Harreb. I, LI. In Fries lui dit: “De rapen binne gear, fig. er komt oneenigheid” (Dijkstra III, 2), welke lesing ook reeds by Harreb, II. LVI, staan. Sien die verklaring wat Ter Laan van die spreekwyse gee.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Haver tot gort (Van —). Vroeger van aver tot aver, eigenlijk van nakomeling tot nakomeling, van geslacht tot geslacht, van a tot z, door en door. Toen dit niet meer begrepen werd, maakte men ervan: van haver tot haver, en toen van haver tot gort. Aver is een stamverwant van af, drukt een verwijdering uit, een later komen, en dus nakomeling; in oudere germ. talen vindt men het woord ook. V. Mander, Leven d. Schilders 184 c: “Die van zyn Vader en Moeders sijde is van haver t’haver (so men seght) uyt de Const ghesproten.” In ’t mnl. heeft men nog een ww. averen, van dit aver gevormd met bet.: achteruitbrengen, bederven. In België kent men nog de uitdrukking Van avers t’avers, van avels t’avels = van de gemeene hoop (Loquela 8, 15).

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gort is de metath. van grut, afl. van den Germ. wt. grut = korrelig zijn. Grut heeft de bet. aangenomen van: fijngemaakte korrels (n.1. van gerst) en verder: alles wat klein is; bijv. wat een grut! (= kleine kinderen). Ook gruis brengt men er mee in verband.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gort ‘gepelde gerst’ -> Frans gruau ‘gepelde gerst; fijne tarwebloem’ Frankisch; Esperanto grio ‘gepeld en vermalen graan’ ; Sranantongo groto ‘gepelde gerst’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gort* gepelde gerst 1170 [Rey]

grutten* graan dat op de molen verbrijzeld is 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

860. Van haver tot gort,

d.w.z. geheel en al, in de uitdr. iemand kennen van haver tot gort. Deze uitdrukking luidde in de middeleeuwen van (h)aver te (of tot) (h)aver, (d.i. van den eenen voorouder tot den ander, van vader op zoon), dat ook nog bij Hooft Ged. II, 392 en Coster, 467, vs. 368 voorkomt. Daar het znw. aver evenwel als zelfstandig woord verdween, werd de uitdr. onduidelijk en maakte men er van van haver t'haver; van haver tot garst (of garst), van haver tot gort, van haver tot klaver. Zie Tuinman I, 79; Molema, 160 a; De Bo, 65 b; Schuermans, Bijv. 15 b; Mnl. Wdb. I, 497; Stallaert II, 318; Taalk. Magazijn III, 496; Ndl. Wdb. II, 750; VI, 140; Nkr. V, 14 Oct. p. 3: Heemskerk die weet alles, van haver tot aan gort; Het Volk, 22 Jan. 1914, p. 1 k. 3: Over zaken waar hij niets van weet oreeren of hij ze van haver tot gort in den zak heeft. In het fri.: fen hjouwer ta groat.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut