Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gorden - (met een gordel vastmaken of omgeven; reven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gorden ww. ‘met een gordel vastmaken of omgeven; reven’
Onl. (be-)gurdon ‘omgorden’ in gigurdit mit geuuelde ‘omgord met sterkte’, inde mendisle huvela begurdida uuerthunt ‘en de heuvelen worden omgord met gejuich’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gorden ‘met een gordel rondom vastmaken’, gurden ‘een gordel omdoen’ [beide 1240; Bern.], doe naemsi ... vigheblader ende gordense om hare scamelike lede ‘toen namen zij (Adam en Eva) vijgenbladeren en bonden die uit schaamte om hun lichaam’ [1285; CG II, Rijmb.], hem gorden ‘zich reisvaardig maken’ in [du] di seluen gorddes ‘je maakte je reisvaardig’ [1291-1300; VMNW]; nnl. ook ‘(een zeil) inkorten, met een touw vastmaken’ in een zeyl gorden ‘reven’ [1727; WNT].
Os. gurdian, ohd. gurten (nhd. gürten); oe. gyrdan (ne. gird); nfri. gurdzja; on. gyrða (nzw. gjorda); < pgm. *gurdjan-; daarnaast ofri. gerda; got. bi-gaírdan; < pgm.*gerdan-.
Pgm. *gerdan- gaat terug op de wortel pie. *gher- ‘grijpen, (om)vatten’ (IEW 444), pgm. *gurdjan- op pie. *ghr-dh-, een dh-uitbreiding van de nultrap daarvan. Bij deze wortel behoren ook → gaard(e) en → hortus.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gorden ww., mnl. gorden, onfrank. gurdan, os. gurdian, ohd. gurten, oe. gyrdan, on. gyrða. — Afl. van gord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gordel znw., mnl. gordel, gurdel o. m. = ohd. gurtil m. (nhd gürtel; ohd. ook gurtila v.), mnd. gordel o. (m.), ofri. gerdel, ags. gyrdel (eng. girdle), on. gyrðill ni. “gordel”. Naast germ. *ʒurðila de formantisch afwijkende synoniemen mnl. gorden o., os. gurdisli o., en met ablaut on. gjǫrð (en gerð; eng. girth in ’t Noorsch), got. gaírda v. “gordel, riem”, mnl. dare-, darm, gherde, -garde v. “buikriem”. Deze laatste drie sluiten zich aan bij got. gaírdan (in bi-gaírdan “omgorden”), de andere vormen bij mnl. gorden (nnl. gorden), onfr. gurdan, ohd. gurten (nhd. gürten), os. gurdian, ags. gyrdan (eng. to gird), on. gyrða “gorden”. Hiervan ook mnl. gort, goort (d) m. “gordel” (nnl. gord als technische term, vooral als scheepsterm), mhd. (nhd.) gurt m. “gordel, riem”; vgl. mnd. gorde m. “id.”. Germ. ʒerð-, ʒurð- komt evenals de bij gaard besproken woorden en gotlandsch gårdar “jaarringen” van de idg. wortel ĝher- “omvatten”, waarvan o.a. nog lat. cohors “ingesloten ruimte, troep”, hir. gr. kheír “hand”, gr. euhkerḗs “gemakkelijk te behandelen”, gr. khóros “dansplaats” (ook lit. ża͂ras »wijze van gaan”?), alb. dors, arm. jeṙn “hand”, oi. hárati “hij neemt, houdt”; vgl. vooral ook gr. korthélai; sustrophaí. sōroí en korthílas kai kórthin; tous sōroús. kai tḗn sustrophḗn (Hes.). Met idg. ĝher-dh-staat ĝhrâx-dh- in ablaut, waarvan av. zrâδa- “pantser”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gorden o.w., Mnl. id., Onfra. gurdan, Os. gurdian + Ohd. gurten (Mhd. en Nhd. gürten), Ags. gyrdan (Eng. to gird), On. gyrda (Zw. gjorda, De. gjorde), Go. gairdan: het Go. vertoont den norm. toestand, de andere Germ. talen den zw. graad van denz. wortel, welks sterke graad voorkomt in gaard 1 (z.d.w.). - Van gorden afgel. gordel en gord.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gaard (tuin) en afgeleid van een werkw., dat omringen, omsluiten bet. (vgl. gordel); gaard is dus: de omringde plaats; Hgd. Garten, Oudfr. gardin, later jardin; Lat. hortus (de h en de g zijn verwant); Russisch: gorod = stad, bijv. Novgorod; Got. garda = stal, – alle dus: een afgesloten plaats.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gorden ‘zeilen met de daartoe bestemde touwen tegen het rondhout ophalen’ -> Deens gårde ‘zeilen met de daartoe bestemde touwen tegen het rondhout ophalen’; Zweeds gårda ‘zeilen met de daartoe bestemde touwen tegen het rondhout ophalen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut