Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gordel - (band om het middel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gordel zn. ‘band om het middel’
Mnl. gordel ‘ceintuur, band om het middel’ [1240; Bern.], ghegord met eenen ruen gordele ‘met een onbewerkte riem om’ [1285; CG II, Rijmb.].
Afgeleid van het werkwoord → gorden met het achtervoegsel -el, zoals in → beitel.
Mnd. gördel, gordel ‘band, riem’; ohd. gurtel ‘band’ (nhd.Gürtel ‘id.’); ofri. gerdel ‘band, riem’ (nfri. gurdle, gurl(e) ‘id.’); oe. gyrdel ‘band, riem’ (ne. girdle ‘gordel; korset, jarretelgordel’); on. gyrđill ‘band’ (nzw. gördel ‘id.’); < pgm. *gurd-ila-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gordel* [riem] {gordel, gurdel 1201-1250} middelnederduits gordel, oudhoogduits gurtil, oudfries gerdel, oudengels gyrdel [gordel, geldbuidel], oudnoors gyrðill [geldbuidel], van het ww. gorden, van gord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gordel znw. m., mnl. gordel, gurdel, mnd. gordel, ohd. gurtil (nhd. gürtel), oe. gyrdel (ne. girdle), on. gyrðill ‘gordel’. Daarnaast mnl. gorden en os. gurdisli, oe. gyrdels. — Afl. van gord.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gordel znw., mnl. gordel, gurdel o. m. = ohd. gurtil m. (nhd gürtel; ohd. ook gurtila v.), mnd. gordel o. (m.), ofri. gerdel, ags. gyrdel (eng. girdle), on. gyrðill ni. “gordel”. Naast germ. *ʒurðila de formantisch afwijkende synoniemen mnl. gorden o., os. gurdisli o., en met ablaut on. gjǫrð (en gerð; eng. girth in ’t Noorsch), got. gaírda v. “gordel, riem”, mnl. dare-, darm, gherde, -garde v. “buikriem”. Deze laatste drie sluiten zich aan bij got. gaírdan (in bi-gaírdan “omgorden”), de andere vormen bij mnl. gorden (nnl. gorden), onfr. gurdan, ohd. gurten (nhd. gürten), os. gurdian, ags. gyrdan (eng. to gird), on. gyrða “gorden”. Hiervan ook mnl. gort, goort (d) m. “gordel” (nnl. gord als technische term, vooral als scheepsterm), mhd. (nhd.) gurt m. “gordel, riem”; vgl. mnd. gorde m. “id.”. Germ. ʒerð-, ʒurð- komt evenals de bij gaard besproken woorden en gotlandsch gårdar “jaarringen” van de idg. wortel ĝher- “omvatten”, waarvan o.a. nog lat. cohors “ingesloten ruimte, troep”, hir. gr. kheír “hand”, gr. euhkerḗs “gemakkelijk te behandelen”, gr. khóros “dansplaats” (ook lit. ża͂ras »wijze van gaan”?), alb. dors, arm. jeṙn “hand”, oi. hárati “hij neemt, houdt”; vgl. vooral ook gr. korthélai; sustrophaí. sōroí en korthílas kai kórthin; tous sōroús. kai tḗn sustrophḗn (Hes.). Met idg. ĝher-dh-staat ĝhrâx-dh- in ablaut, waarvan av. zrâδa- “pantser”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] gordel. Adde: ags. gyrdels m. (germ. *ʒurðisla-) “gordel”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gordel. Bij de formantisch afwijkende germ. synoniemen behoort nog ags. gyrdels m. (v.Wijk Aanv.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gordel s.nw.
1. Band om die middellyf gedra as versiering, om die klere vas te hou of om iets daaraan te hang. 2. Strook van die aarde tussen twee breedtekringe met 'n eenderse klimaat, plantegroei, ens., of strook van hemelgewelf ewewydig aan die ewenaar. 3. Kring, strook van soortgelyke dinge wat iets omring. 4. Streek wat deur sy plantegroei, nywerhede, ens. van ander onderskei word.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. gordel (al Mnl. in bet. 1, 1855 - 1869 in bet. 2). Bet. 3 en 4 is leenbetekenisse van Eng. belt (1753 in bet. 3, 1810 in bet. 4). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880).
D. Gürtel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gaard (tuin) en afgeleid van een werkw., dat omringen, omsluiten bet. (vgl. gordel); gaard is dus: de omringde plaats; Hgd. Garten, Oudfr. gardin, later jardin; Lat. hortus (de h en de g zijn verwant); Russisch: gorod = stad, bijv. Novgorod; Got. garda = stal, – alle dus: een afgesloten plaats.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gordel ‘riem’ -> Zweeds gördel ‘riem’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans gordhel ‘riem’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

droogstoppel [saai, vervelend mens] (1860). Eduard Douwes Dekker (1820-1887) publiceerde in 1860 onder het pseudoniem Multatuli zijn boek Max Havelaar, of de Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, gericht tegen de uitbuitingspraktijken in Nederlands-Indië. Uit dit boek zijn droogstoppel ‘saai mens’ en pak van Sjaalman ‘een bundel papieren met allerhande onverwachte stukken’ spreekwoordelijk geworden. De Max Havelaar leverde het Nederlands nog meer woorden op. Het boek begint als het geschrift van een kleinburgerlijke Amsterdamse koffiehandelaar, Batavus Droogstoppel, die van een mislukte jeugdvriend, Sjaalman genoemd, een pak belangrijke Indische papieren ontvangt. Multatuli laat zijn Max Havelaar voorafgaan door een toneelstukje over de berechting van Lothario, door wie Barbertje zou zijn vermoord. Barbertje blijkt springlevend, maar Lothario moet toch hangen. In het spraakgebruik is hieruit met persoonsverwisseling de formule Barbertje moet hangen ontstaan, die begin twintigste eeuw voor het eerst is gesignaleerd. In de Max Havelaar gebruikt Multatuli met nadruk het naar het Duitse Halbheit gevormde halfheid ‘onbeslistheid, weifeling’, dat mogelijk door hem in het Nederlands is geïntroduceerd. Ook afkomstig van Multatuli zijn de benamingen Insulinde ‘Indonesische archipel’ en de bijnaam voor Nederlands-Indië de gordel van smaragd.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gordel* riem 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut