Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gord - (gording)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gord*, gorde [gording] {gordegasp [riemgesp (voor paarden)] 1370} middelhoogduits gurt, oudnoors gjǫrð, gotisch gairda, evenals gaard1 afgeleid van een i.-e. stam met de betekenis ‘omvangen, omheinen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gord znw. v. (scheepsterm) ‘bark- of berghout’ (huisbouw) ‘steunspieren aan het dak’, mnl. gorde ‘riem, buikriem’, nnd. görde, gord, gurd en mnl. gort, goort ‘gordel’, mhd. gurt ‘gordel, riem’, < stam *gurð waarnaast *gerð in mnl. dare-, darmgherde, -garde ‘buikriem’, on. gjǫrð, gerð (> ne. girth), got. gairda ‘gordel, riem’. — Zie: gordel en gorden.

In het idg. staan naast elkander in de bet. ‘vlechten, winden; omheinen, omgorden’ de beide wortels *gherdh, vgl. oi. gṛha- ‘huis, woning’, alb. garth ‘heg’, osl. gradŭ ‘burcht, stad, tuin’, lit. gar̃das ‘omheinde ruimte’, gardìs ‘hek’, en met andere dentaal-auslaut: lat. hortus ‘tuin’, gr. chórtos ‘omheinde ruimte’, oiers gort ‘seges’ en *ĝherdh vgl. lit. žar̄dis ‘omheinde weide’, žardas ‘stellage van latten voor het drogen van graan’, opr. sardis ‘omheining’ (IEW 444).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gordel znw., mnl. gordel, gurdel o. m. = ohd. gurtil m. (nhd gürtel; ohd. ook gurtila v.), mnd. gordel o. (m.), ofri. gerdel, ags. gyrdel (eng. girdle), on. gyrðill ni. “gordel”. Naast germ. *ʒurðila de formantisch afwijkende synoniemen mnl. gorden o., os. gurdisli o., en met ablaut on. gjǫrð (en gerð; eng. girth in ’t Noorsch), got. gaírda v. “gordel, riem”, mnl. dare-, darm, gherde, -garde v. “buikriem”. Deze laatste drie sluiten zich aan bij got. gaírdan (in bi-gaírdan “omgorden”), de andere vormen bij mnl. gorden (nnl. gorden), onfr. gurdan, ohd. gurten (nhd. gürten), os. gurdian, ags. gyrdan (eng. to gird), on. gyrða “gorden”. Hiervan ook mnl. gort, goort (d) m. “gordel” (nnl. gord als technische term, vooral als scheepsterm), mhd. (nhd.) gurt m. “gordel, riem”; vgl. mnd. gorde m. “id.”. Germ. ʒerð-, ʒurð- komt evenals de bij gaard besproken woorden en gotlandsch gårdar “jaarringen” van de idg. wortel ĝher- “omvatten”, waarvan o.a. nog lat. cohors “ingesloten ruimte, troep”, hir. gr. kheír “hand”, gr. euhkerḗs “gemakkelijk te behandelen”, gr. khóros “dansplaats” (ook lit. ża͂ras »wijze van gaan”?), alb. dors, arm. jeṙn “hand”, oi. hárati “hij neemt, houdt”; vgl. vooral ook gr. korthélai; sustrophaí. sōroí en korthílas kai kórthin; tous sōroús. kai tḗn sustrophḗn (Hes.). Met idg. ĝher-dh-staat ĝhrâx-dh- in ablaut, waarvan av. zrâδa- “pantser”.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut