Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gooi - (worp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gooien ww. ‘werpen’
In het mnl. nog onovergankelijk: goyen ‘stromen, snellen’: Tbloet liep uten verscen wonden ende goyde recht als ene beke ‘het bloed liep uit de verse wonde en stroomde net als een beek’ [1350; MNW], maar in de betekenis ‘ejaculeren, zaad schieten’ is het al bijna overgankelijk: bloet laten ... doet goyen ‘aderlaten brengt het ejaculeren op gang’ [1351; MNW-P]; vnnl. goijen ‘de achterbenen omhoogwerpen’ [16e eeuw; WNT], goyen ‘met kracht werpen, kloppen, schudden’ [1599; Kil.].
Herkomst onduidelijk. Misschien een afleiding van een Indo-Europese wortel voor ‘gieten’. Anders wellicht een oude afleiding van → gauw ‘haastig, snel’.
De eerste mogelijkheid is semantisch aantrekkelijk, vooral gezien de context in de oudste attestaties, en is ook formeel goed te verklaren. Nnl. ooi gaat meestal terug op pgm. *-auj-, en pgm. *gaujan- kan gereconstrueerd worden tot de wortel pie. *gheu- ‘gieten’, zie → gieten. Een bezwaar is wel dat van deze wortel in het Germaans geen enkel spoor is bewaard zonder dentaaluitbreiding.
Formeel goed mogelijk, maar semantisch weinig wrsch., is afleiding van het bn. gauw, dat in het mnl. ook voorkwam als gouw. Van gouw zou dan gooien met -ooi- zijn afgeleid, naar analogie van voorbeelden als louw - looien, touw - tooien, etc. Vergelijkbaar is dan ohd. gāhen, gāhōn ‘zich haasten’, afgeleid van ohd. gāhi ‘snel’ (nhd. jäh), gāha ‘ogenblik’.
gooi zn. ‘worp’. Vnnl. goey ‘worp’ [1622; WNT] ‘worp’, misschien al eerder in het verkleinwoord goyken ‘smet, vlekje’ [1561; WNT]; nnl. dan moet gij uw gooi maar gaan ‘... uw gang, weg ...’ [1793-96; WNT], ergens een gooi naar doen ‘ergens in het wilde weg naar raden, een slag naar slaan’ [1891; WNT]. Afleiding van het werkwoord gooien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gooi* [het werpen] {1622} de uitdrukking ergens een gooi naar doen [een kans wagen] is ontleend aan het dobbelspel. In de uitdrukking zijn gooi gaan [zijn gang gaan] betekent gooi ‘gang, weg’, vgl. middelnederlands gooyen, dat onovergankelijk gebruikt ‘stromen, vloeien’ betekende.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gooi 1 v. (worp), verbaalabstr. van gooien + Ndd. gôjen: Ug. gau-j-, van denz. wortel als gieten.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gooi (2). De Grote van Dale (1992) kent de verwensingen ga je goddelijke driehoek! en ga je goddelijke gooi! in de betekenis ‘je doet je best maar, je gaat je gang maar’. De emotionele betekenis duidt op minachting. Sanders en Tempelaars (1998) kennen ook nog ga je goddelijke driegang!, een religieuze verwensing die gehoord werd te Rotterdam.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

714. Ergens een gooi naar doen,

d.w.z. een kans wagen om een zeker doel te bereiken. De uitdr. is ontleend aan het dobbelspel of aan het kegelen, eveneens een heele gooi naar iets doen, veel kans hebben een doel te bereiken, en daar is geen gooi naar, daarvoor is geen kans, geen mogelijkheid, hetzelfde als het bij Hooft, Ned. Hist. 839 voorkomende: eenen worp na iets hebben; vgl. Van Effen, Spect. X, 23: Daar is geen rooi aan; Tuinman I, 262: Daar is geen raam op naast daar is geen gooi na; in het fri. earnje in smeet op dwaen, een middel aanwenden om iets te verkrijgen; Twente: der nen smette naor doon. Vgl. ook daar is geen smijten met de muts naar (o.a. bij Gunnink, 209) en het Zuidnederl. ergens naar doen. Zie Ndl. Wdb. V, 411 en vgl. hd. einen guten Wurf tun, zijn slag slaan.

715. Zijn gooi gaan,

d.w.z. zijn gang gaan (o.a. Amst. 93). Het znw. gooi beteekent hier gang, vaart, weg (vgl. mnl. sire vaerde gaen en het ndl. zijns weegs gaan); het herinnert aan het intr. wkw. gooien dat spoeden, ijlen, voortsnellen beteekende en bij Kiliaen door festinare vertaald wordt. In Oost-Friesland zegt men ook an de gôi, er van door, op hol (van paarden), aan den zwier (van menschen); lât hem (lât de bûdel) an de gôi gân, laat hem rondom loopen, laat de boel naar den drommel loopen! 't geid al an de gôi, alles gaat verloren! Zie Ten Doornk. Koolman I, 657-658. Ook bij Molema, 130 b: goa dien gooi, ga uw' gang; hij gait zien gooi, hij gaat zijn scheeven gang; fri.: syn goai of syn swé gean.

Dikwijls wordt de uitdr. nog versterkt door goddelijk en zegt men ga je goddelijke gooi (of gang)! evenals ga je goddelijke driehoek!, syn. van ga je goffie (De Vries, 72). Zie Ndl. Wdb. V, 411.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut