Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goochelen - (bedrieglijke kunsten maken)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

Zie ook kukelen
[Gepubliceerd op 15-10-2015 op Neerlandistiek.nl]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

goochelen ww. ‘bedrieglijke kunsten maken’
Mnl. spoelluden die ... kokelen ‘rondreizende lieden die jongleren, kunsten maken’ [1434-46; MNW-P], speellude ... die gokelen ‘id.’ [1440-60; MNW-R]; vnnl. ghuchelen ‘jongleren, kunsten maken’ [1555-60; MNW-P], gokelen, guychelen ‘potsenmaken’ [1599; Kil.].
Opvallend is de overeenkomst met Latijn ioculārī ‘schertsen, grappen maken’, zie → jongleren, bij het zn. iocus ‘grap’, zie → jokken. De Germaanse vormen kunnen daaraan echter niet rechtstreeks ontleend zijn. Mogelijk staat aan de basis van goochelen een Germaans klankschilderend of klanknabootsend woord dat ‘domoor, zot, nar’ betekende en heeft het Latijnse werkwoord een rol gespeeld bij de betekenisontwikkeling van ‘zich gedragen als een zot’ naar ‘jongleren, goochelen, toveren’ (Kluge).
Mnd. gokelen, kochelen, ohd. goukelon, gougolon ‘toveren’ (nhd. gaukeln ‘goochelen; dwarrelen’); daarnaast staat mhd. giegel ‘nar, zot’; voorts mnl. gooch ‘domoor’, ohd. gouh (nhd. Gauch ‘halve gare; koekoek’), oe. gēac ‘koekoek’, on. gaukr ‘koekoek’ (nzw. gök ‘id.’); < pgm. *gauka- ‘koekoek’, een klanknabootsend woord.
goochelaar zn. ‘iemand die goochelt’. Mnl. gokelaer ‘tovenaar; kunstenmaker, jongleur’, eerst in eigennamen en in de plaatsnaam Gokelaersveer (onbekende ligging in Zeeuws-Vlaanderen): gokelars vere [1278; CG I, 392], ghokellars vere [1282; CG I, 618], Tierin de gokelare ‘Tierin de jongleur, potsenmaker, kunstenmaker’ [1350-1400; MNW-R], Petrus Kokelare [1378; Debrabandere 2003], Simon, die ... een kokelaer was ‘Simon die een tovenaar was’ [1399; MNW-P], gokelaers ende waersaghers ‘tovenaars en waarzeggers’ [1460-62; MNW-P]; vnnl. guycheler, kokeler ‘toneelspeler’ en guycheler ‘tovenaar’ [beide 1599; Kil.]. Oudengels gēogelere ‘jongleur, goochelaar’ (Nieuwengels juggler) is via het Frans ontleend aan Latijn ioculātor ‘grappenmaker’, afleiding van het werkwoord ioculāri ‘grappen maken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

goochelen [door handigheid misleiden] {gokelen [toveren, goochelen] 1340-1350} van middelnederlands goken [misleiden, bedriegen], gokelaer, gogelaer, gukelaer, cokelaer [tovenaar, duivelskunstenaar, goochelaar], middelnederduits gokelen, oudhoogduits goukelon, gaugalon (hoogduits gaukeln), vgl. middelnederlands gooc [domoor], verder middelhoogduits giege(l) [nar, zot] en nederlands guichelen (middelnederlands guchelen), die ablautend naast goochelen kunnen staan, op grond waarvan men germ. herkomst aanneemt. Het is ook mogelijk, dat het woord teruggaat op latijn joculari [schertsen] (vgl. jongleur); daarnaast moet gewezen worden op middeleeuws latijn cauclearius, cauculearius, cauculator [tovenaar].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

goochelen ww., mnl. gôkelen, gôghelen, mnd. gōkelen, ohd. goukelōn, gougolōn, oe. geogelere ‘tovenaar, gochelaar’, on. kuklari ‘goochelaar’ (dit laatste uit mnd. kōkeler ontleend). — Er schijnen zich in dit woord ontleningen uit het Romaans en inheemse woorden te hebben gekruist. Zo kan een vorm als mnd. kōkeler afkomstig zijn van lat. caucularius (bij cauculus ‘beker’), daarentegen oe. geogelere < ofra. joglere (fr. jongleur) < lat. joculator (van lat. jocus ‘scherts’, jocāri ‘schertsen’). — Maar naast goochelen staat nnl. guichelen ‘spotten’, mnl. gûchelen ‘spotten, goochelen’ en men vergelijkt daarom verder ohd. gougarōn, mhd. gougern ‘rondzwerven’ mhd. gōgel ‘uitgelaten’, giegel ‘verdwaasde’, nnl. guich ‘grimas’, waarmee men dan verder verbindt lett. ǵaugties ‘zich vermaken’. (Daarentegen is mnl. gooc ‘koekoek’ hiermee zeker niet te verbinden). Voor de vorm met anl. k zie ook: kukelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

goochelen ww. Mnl. zijn gókelen en gôkelâre m. gewoner dan gôghelen, -âre. Door assimilatie ontstonden eenerzijds vormen met gg (gch, chch), anderzijds vormen met kk (zooals Hunsingo keukelen). = ohd. goukelôn, gougolôn (nhd. gaukeln) “tooveren, kunsten vertoonen”, coucalâri, gougulâri m. “toovenaar, goochelaar, kunstenmaker” (nhd. gaukler), mnd. gôkelen “goochelen”, gôkeler m. “goochelaar”. Op grond van mhd. giege, giegel m. “nar, zot”, gogelen “uitgelaten zijn”, ndl. (oud en dial.) guichelen “spotten”, mnl. gûchelen “spotten, goochelen”, ags. gêogelere m. “toovenaar, goochelaar”, die met goochelen zouden kunnen ablauten, neemt men germ. oorsprong aan en verwantschap met ohd. gouh m. (nhd. gauch) “koekoek”, mnl. gooc, mnd. gôk m. “domoor”, ags. gêac, on. gaukr m. “koekoek”, hoogerop ’t zij met gr. kaukháomai “ik poch” (onwsch. wegens de kh) ’t zij met on geyja “blaffen, spotten” en obg. zŭvati “roepen” (zie god). [Germ. *ʒauka- is ook met lit. gegużė̃ “koekoek” gecombineerd. Veeleer is ’t jong en onomatop.]. Het ags. woord is echter voortreffelijk als een ontl. uit ofr. joglere (fr. jongleur) of een andere dgl. rom. vorm van lat. joculâtor “goochelaar, kunstenmaker” te verklaren, en er is niets geen bezwaar tegen om in mnl. gôkelâre, gôkelen enz. een eenigszins vervormde ontl. uit lat. joculâtor, joculâri te zien. Ndl. guichelen enz. kunnen op een reduplicatieformatie van idg. ĝheu- “roepen” (obg. zǔvati enz.) berusten. Deze geredupliceerde basis is dan op ndl. gebied in associatie getreden met de bij giechelen besproken woordfamilie. NB Ook de rom. vormen van joculâtor zijn slechts door allerlei ontleeningen te verklaren: zoo gaan oudit. giullare, spa. juglar, jograr op prov. joglar terug; il. giocolatore is een latinisme.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

guichelen ono.w., bijvorm van goochelen, onder invloed van Hgd. gaukeln.

goochelen ono.w., dial. ook kokelen, Mnl. goghelen, gokelen + Hgd. gaukeln: van goochelaar, Mnl. gokelare + Ohd. gougulâri, goculâri (Mhd. goukelâre, Nhd. gaukler); daarnevens tal van andere vormen; alle vertoonen verschillen in stamklinker en in begin- of middelgutturaal, zoodat een grondvorm niet is op te maken. Daarom is ontleening het waarschijnlijkst, hetzij aan Mlat. jocularium (-us) = kunstenmaker, dat, gelijk Ofra. jogleor (waaruit Eng. i̯uggler), van Lat. joculatorem (-or), afgel. van joculari = kunsten maken, denom. van joculus, het dimin. van jocus = spel (z. jokken); - hetzij, wegens de begin-k, aan Mlat. cauculearius, van caucus, Gr. kaûka = tooverbeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

guchelen, ww.: giechelen. Br. guichelen ‘gekheid maken, schertsen; uitlachen’, Ovl. guichelen, goegelen ‘herhaaldelijk lachen, giechelen’, guchelen ‘ knoeien, prutsen’, Wvl. guchelen (De Bo) ‘schertsen, gekscheren’, Gronings gucheln ‘gniffelen’, Gelders goechelen ‘giechelen’. Mnl. guchelen, gukelen ‘honen, goochelen’, guchelinge ‘hoon, bittere spot’, Vnnl. ghuyghelere ‘un bateleur (goochelaar, jongleur)’ (Lambrecht), guych, guygh ‘spot, scherts, grap’, guychelen ‘handig bedriegen, goochelen’ (Kiliaan). Daarnaast Ndl. goochelen, Mnl. gokelen, D. gaukeln, Ohd. gougalôn, Mhd. gougeln, Mnd. gokel(e)n, Oe. gêogelere ‘tovenaar, goochelaar’ < Ofr. joglere (Fr. jongleur) < Lat. joculator < jocus ‘scherts’. Of Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator ‘tovenaar’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

guichelen, goecheren, choechelen, schochelen, schoegeren, ww.: gekheid maken, schertsen; uitlachen. Vgl. Ovl. guichelen, goegelen ‘herhaaldelijk lachen, giechelen’, guchelen ‘ knoeien, prutsen’, Wvl. guchelen (De Bo) ‘schertsen, gekscheren’, Gronings gucheln ‘gniffelen’, Gelders goechelen ‘giechelen’. Mnl. guchelen, gukelen ‘honen, goochelen’, guchelinge ‘hoon, bittere spot’, Vnnl. ghuyghelere ‘un bateleur (goochelaar, jongleur)’ (Lambrecht), guych, guygh ‘spot, scherts, grap’, guychelen ‘handig bedriegen, goochelen’ (Kiliaan). Daarnaast Ndl. goochelen, Mnl. gokelen, D. gaukeln, Ohd. gougalôn, Mhd. gougeln, Mnd. gokel(e)n, Oe. gêogelere ‘tovenaar, goochelaar’ < Ofr. joglere (Fr. jongleur) < Lat. joculator < jocus ‘scherts’. Of Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator ‘tovenaar’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

guchelen ww.: goochelen; kirren, geluidjes maken (van een baby). Vgl. in Waasland guchelen ‘knoeien, prutsen’, Wvl. guchelen (De Bo) ‘schertsen, gekscheren’, Gronings gucheln ‘gniffelen’, Gelders goechelen ‘giechelen’. Mnl. guchelen, gukelen ‘honen, goochelen’, guchelinge ‘hoon, bittere spot’, Vnnl. ghuyghelere ‘un bateleur (goochelaar, jongleur)’ (Lambrecht), guych, guygh ‘spot, scherts, grap’, guychelen ‘handig bedriegen, goochelen’ (Kiliaan). Daarnaast Ndl. goochelen, Mnl. gokelen, D. gaukeln, Ohd. gougalôn, Mhd. gougeln, Mnd. gokel(e)n, Oe. gêogelere ‘tovenaar, goochelaar’ < Ofr. joglere (Fr. jongleur) < Lat. joculator < jocus ‘scherts’. Of Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator ‘tovenaar’. Afl. begucheld ‘niet wijs’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

guichelen (W), goegelen (L), ww.: herhaaldelijk lachen, giechelen. Variant van guchelen.

guchelen (W), ww.: knoeien, prutsen. Wvl. guchelen (De Bo) 'schertsen, gekscheren', Gronings gucheln 'gniffelen', Gelders goechelen 'giechelen'. Mnl. guchelen, gukelen 'honen, goochelen', guchelinge 'hoon, bittere spot', Vnnl. ghuyghelere 'un bateleur (goochelaar, jongleur)' (Lambrecht), guych, guygh 'spot, scherts, grap', guychelen 'handig bedriegen, goochelen' (Kiliaan). Daarnaast Ndl. goochelen, Mnl. gokelen, D. gaukeln, Ohd. gougalôn, Mhd. gougeln, Mnd. gokel(e)n, Oe. gêogelere 'tovenaar, goochelaar' < Ofr. joglere (Fr. jongleur) < Lat. joculator < jocus 'scherts'. Of Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator 'tovenaar'. Afl. begucheld (Z) 'niet wijs'.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

goël ww. Ook, verouderd, gogel.
1. Met ratse handbewegings en -gebare die toeskouer mislei. 2. Op behendige, bedrieglike wyse 'n wonderwerk verrig. 3. Iemand se doen en late deur toordery beïnvloed.
Uit Ndl. goochelen (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902) in die afleidings gogelaar en gogelary.

koggel ww.
1. Iemand terg deur sy houding of bewegings na te boots. 2. Die bewegings of geluide van 'n dier namaak om hom te terg of tot reaksie uit te lok. 3. (t.o.v. voëls) Geluide of woorde van mense of geluide van ander voëls naboots. 4. (t.o.v. 'n ingespande trekdier teenoor sy maat in dieselfde juk of tuig) Byt, stamp of stoot. 5. Die kop en soms ook die voorlyf op en af beweeg asof daar gekoggel (koggel 1) word. 6. 'n Geslagsryp vroulike dier met 'n geslagsryp manlike dier in aanraking bring ten einde haar tot bronstigheid of geslagsaktiwiteit aan te spoor.
In bet. 1 volgens Boshoff - Nienaber (1967: 361) wsk. uit 'n ou dialektiese vorm van Ndl. guichelen, goochelen (al Mnl.) 'gekskeer'. Boshoff - Nienaber gee o.a. die vorme kogchelen, kogelen, koggelen en kokelen. Bet. 2, 3, 4 en 5 het in Afr. self ontwikkel. Bet. 6 is 'n leenbetekenis van Eng. tease. Eerste optekening in Afr. in bet. 4 by Changuion (1844) in die vorm kogchelen en in bet. 1 en 4 by Pannevis (1880) in die vorm kochelen.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

gufelen (DB), ww.: smijten, gooien. Door f/ch-wisseling < guchelen ??

guchelen (DB), ww.: schertsen, gekscheren. Mnl. guchelen ‘honen, goochelen’, guchelinge ‘hoon, bittere spot’, Vroegnnl. guych, guygh ‘sanna, irrisio, iocus’, guychelen ‘ioculari, scurrari, ineptire, nugari, nugas agere, dexteritate quadam decipere, praestigiis fallere’ (Kiliaan). Daarnaast Ndl. goochelen, Mnl. gokelen, D. gaukeln, Ohd. gougalôn, Mhd. gougein, Mnd. gökelen, Oe. gêogelere ‘tovenaar, goochelaar’ < Ofr. joglere (Fr. jongleur) < Lat. joculator < jocus ‘scherts’. Of Mlat. cauclearius, cauculearius, cauculator ‘tovenaar’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

goël: – (meer fig.) gogel – , “toor; tower”; Ndl. goochelen guichelen, vroeër ook gookelen (Mnl. gokelen/goghelen), Hd. gaukeln, “duiwelskunste uithaal; soos ’n hanswors rondspring”; blb. het Ndl. goochelen met guichelen, “spot”, deureengeloop, terwyl Ndl. goochelaar, Afr. goëlaar/gogelaar, Hd. gaukler, Eng. juggler andersyds via Ofr. joglere (Fr. jongleur) verb. hou m. Lat. joculator (uit jocus, “grap, skerts”).

koggel: “naboots, namaak; pla, spot, terg”; hou verb. m. Ndl. guichelen/goochelen (Mnl. gōkelen/gōghelen, by Kil guychelen, “joculari, scurrari”, d.w.s. “gekskeer”), hiernaas by dJa WFN I 294 ook kogchelen/kogelen/koggelen/kokelen, ook in WNT V 405 en VII 4849 as kochelen – Afr. het blb. ’n ou (dial.?) vorm bewaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

goochelen ‘door handigheid misleiden’ -> Deens gøjle ‘door handigheid misleiden’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gjøgle ‘kunsten maken, potsen maken’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds gyckla ‘spotten, schertsen, de spot drijven’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo goochel ‘door handigheid misleiden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

goochelen door handigheid misleiden 1340-1350 [MNW] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal