Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gonzen - (dof klinken, zoemen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gonzen ww. ‘dof klinken, zoemen’
Vnnl. eerst in de afleiding gonsinge ‘het ruisen’ [1567; Toll.], daarna gonzen ‘zoemen, ruisen’ [1588; Claes 1994a], gonsen ‘zoemen, ruisen’ (met de aantekening “Hollands”) [1599; Kil.], het gonsen der vlieghende kogels [1652; WNT vliegend], 't yslijk gonsen van de ... zee ‘het angstaanjagend bruisen van de zee’ [1671; WNT woed]; nnl. gonzende hommels [1726; WNT windbuil], de steen gonst neer ‘de steen suist naar beneden’ [1840; WNT zwermen].
Waarschijnlijk een klanknabootsend woord.
Mnd. en mhd. günseln, gunseln ‘kermen, janken’; nfri. gûnzje, gonzje ‘gonzen’.
Sedert de 20e eeuw wordt gonzen alleen nog gebruikt voor zacht zoemende of doffe geluiden; oudere betekenissen als ‘dof bonken’, ‘luid zoemen of ruisen’ zijn dan verdwenen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gonzen* [dof klinken] {gonsen 1588} vgl. fries gonzje, middelnederduits, middelhoogduits gunseln [kermen], klanknabootsende vormingen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gonzen ww., sedert Kiliaen gonsen (holl.) ‘susurrare’, mnd. mhd. gunseln ‘kermen’, fri. gonzje, gūnzje ‘gonzen’. Een jong woord, dat er uitziet een klank te willen nabootsen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gonzen ww., sedert Kil.: “gontsen. Holl. Susurrare”. Vgl. mhd. (md.) mnd. gunseln “kermen”, fri. gonzje, gûnzje “gonzen”. Jong, wsch. onomatopoëtisch.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gonzen ono.w., + Ndd. gunsen: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gons ww.
'n Aanhoudende hoë, brommende geluid maak, waarneem of met so 'n geluid beweeg.
Uit Ndl. gonzen (1588), wsk. klanknabootsend gevorm. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gonzen* dof klinken 1588 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut