Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gokken - (zijn geluk beproeven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gokken ww. ‘zijn geluk beproeven’
Nnl. gokken ‘spelen, kaarten’ in gij hebt loensch gegokt ‘u heeft vals gespeeld’ [1844; Moormann, 398], ‘speculeren, zijn geluk beproeven’ in ons laatste stukje Water weg te geven, om hen in de gelegenheid te stellen daar te gokken (aan de orde zijn de omstreden plannen voor een beursgebouw op het Damrak) [1891; Groene Amsterdammer], ‘spelen om geld’ [1906; Boeventaal].
Wrsch. ontleend aan Jiddisch chokken ‘spelen, wedden’, maar ook ‘lachen, schertsen, spelen’. Dit zou weer teruggaan op Hebreeuws ṣāḥaq ‘lachen’.
gok zn. ‘het gokken, waagstuk’. Nnl. vaak in de vorm gokje, bijv. in het tooneelschrijven is tot een gokje geworden [1921; WNT], maar al eerder in de Bargoense samenstelling gok bajes ‘speelhuis’ [1906; Boeventaal]. Ook in uitdrukkingen als op de gok ‘op goed geluk’ [1937; Koenen], het is een gok ‘het is een waagstuk’ [1940; Koenen]. Afleiding van gokken.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gokken [spelen om geld] {ca. 1860} < jiddisch tsechokken [lachen, schertsen, spelen, speculeren] < hebreeuws šāḥaq [lachen, spotten].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gokken ww., bargoens woord < joods çegoqen ‘lachen, schertsen, spelen, speculeren’ (Moormann 1, 323).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† gokken ww., laat-nnl. uit de jodentaal: çegoqen ‘lachen, schertsen, spelen, speculeren’.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gokken (Jiddisch chokken)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Gokken, spelen, met centen spelen, speculeeren; van hebr. tsegoken, lachen, schertsen, speculeeren. Brusse, Boefje 141: “Den trein, waar handelsreizigers . . . met beduimelde kaarten om centen gokken”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gokken ‘spelen om geld’ -> Fries gokke ‘spelen om geld’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gokken spelen om geld 1860 [MOO] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut