Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goj - (niet-jood)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

goj(im) zn. ‘niet-jood’
Nnl. goi, gojim ‘niet-joden’ [1824; Weiland], een eerlijke fijne gooj ‘een eerlijke aardige niet-jood’ [ca. 1912; WNT].
Ontleend aan Jiddisch goj, meervoud gojjem, gojjiem, ‘niet-jood’, uit Hebreeuws gōj ‘volk’ met meervoudsvorm gōjīm. In het Oude Testament heeft dit woord de speciale betekenis ‘niet-joodse volkeren’, en vandaar in het Misjna-Hebreeuws ook ‘niet-jood’. Zie ook → heiden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

goj [niet-jood] {goï 1824} < jiddisch goj [idem] < hebreeuws gōj [volk, vreemdeling, niet-jood].

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

goj: (in Joodse kringen) niet-Jood; een niet-traditioneel levende Jood of een christen. In het jodendom tel je als Jood maar mee als je moeder Joods is. Goj komt van het Hebreeuwse goy, hetgeen (het Joodse) ‘volk’ betekent. In de loop der eeuwen is het woord net het omgekeerde gaan betekenen. Gojim betekent nu ‘andere volken’. Die betekenis werd bijna zeker ontleend aan het Oude Testament. Iemand die een gojsjer kop heeft, geldt in Joodse kringen als een dom iemand. De persoon in kwestie heeft immers het brein van een niet-Jood.

Jij overloopen naar de Gojjem (Gebruikelijke scheldnaam tegenover christenen) Wat, wou jij dat doen? (Herman Heijermans, ’n Jodenstreek, 1892)
Een rijke jongen, een knappe jongen, een beste jongen misschien, maar een ‘goj’, een ‘goj’, hoe kón een rechtschapen Jiddekind ernaar talen? (Carry Van Bruggen, De verlatene, 1910)
Binnenshuis lachen om die stomme Goys, die zoo makkelijk medelijden hebben met het Uitverkoren Volk. (De Gil, 21/03/1944)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

goj (Hebreeuws gōy)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

moslim [belijder van de islam] (1824). Predikant en taalkundige Petrus Weiland (1754-1841) publiceerde in 1824 zijn Kunstwoordenboek of verklaring van allerhande vreemde woorden [...] uit verscheidene talen ontleend. Vele honderden leenwoorden in het Nederlands worden voor het eerst in dit woordenboek vermeld, zoals het Arabische moslim, de Hebreeuwse woorden misjna en thora, de Jiddische leenwoorden goj, sjikse en tof, het Perzische hoeri, het Russische bojaar, het Tibetaanse dalai lama en de Turkse leenwoorden kismet, molla en raki. Veel van de in Weilands woordenboek opgenomen woorden gaan terug op boekenkennis, en niet zozeer op contacten met andere talen. Het is dan ook niet duidelijk in hoeverre de opgenomen woorden bekend zijn geweest in deze periode. Sommige woorden zullen uitsluitend onder specialisten bekendheid hebben genoten.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

goj niet-jood 1824 [WEI] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut