Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goesting - (lust, zin, smaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

goesting zn. (BN) ‘lust, zin, smaak’
Nnl. goesting ‘zin, lust’, van oudsher alleen in Zuid-Nederlands taalgebruik: ieder zijne goesting ‘ieder moet het zelf weten, ieder zijn meug’ [1840; WNT]. Daarnaast gewestelijk ook gusting [1836-38, Breda; WNT]. Eerder al gelijkbetekenend goeste zoals bij Huygens in het quasi-Brabantse citaat Lôt may men goeste vray ‘laat mij de vrije keus’ [1653; WNT] en in nnl. volgens dattet toens de goeste was ‘zoals dat toen de gewoonte was’ [1799; WNT revolutie], ieder zyn goeste [1839; WNT trein I].
Gevormd met het achtervoegsel → -ing bij vnnl. goeste ‘lust, zin, smaak’, dat is ontleend aan Oudfrans goust ‘smaak’ [begin 13e eeuw; Rey], ouder gost [12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans goût), ontwikkeld uit Latijn gustus ‘smaak, voorproefje’, Indo-Europees verwant met → kiezen. Over de reden van de toevoeging van -ing (dat normaal gesproken alleen op werkwoordsstammen volgt) kan men wegens het gebrek aan schriftelijke attestaties in de tussenliggende periode slechts gissen; analogiewerking door → gading is niet ondenkbaar.
De oorspr. vormen goest(e) zijn nog steeds Vlaams dialectisch.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

goesting [trek] {1653} van oudfrans gost (vgl. goût).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

goesting v., uit Fr. goût, van Lat. gustum (z. kiezen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gósting verouderd, (zn.) smaak, trek; Nuinederlands goeste <1653>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

goesting (Brabants) ‘zin, trek’ (van Oudfrans goust ‘smaak’)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

goesting trek 1653 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

goesting (← Lat. gustus), in Vlaanderen: lust, zin, trek. Het woord is zeker niet nieuw. Walter de Clerck geeft in Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek (1981) al vindplaatsen uit de jaren zestig (Streuvels). Via het wielerjargon in de loop van de jaren tachtig ook in Nederland bekend geworden. De goesting is goed betekent dan dat men zin heeft om er tegenaan te gaan.

Van der Poorten: ‘De smaak wordt door de “goesting” bepaald. Renners die goed in hun vel zitten, eten alles wat de pot schaft.’ (NRC Handelsblad, 25/07/97)
Dan probeer ik toch te lachen, al kost het mij moeite, om de jongens weer goesting te geven. (Elsevier, 23/08/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut