Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goedzak - (goedhartig persoon)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

dikzak znw., eerst nnl., evenals goedzak. In zak voelde men, toen deze samenstt. ontstonden, de bet. “buik, romp, lichaam”.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1022. Jan de Wasscher,

d.i. een sukkel, wiens vrouw Griet ‘de broek aan heeft’ (no. 359) en die thuis al het vrouwenwerk moet verrichten; vooral bekend door de 18de-eeuwsche kinderprent, voorstellende het verkeerde huishouden. Vgl. Winschooten, 352: Van wassen komt een waster, en soo het een man is, een wasser, waarvan bij veragting, Jan de Wasser; Sewel, 939: Jan de Wasscher, a Nickampoop, a cot, a cotquean; Halma, 767, die den naam verklaart door Jean qui fait tout, Jean de Nivelle, Jocrisse; Tuinman I, 134; C Wildsch. I, 60; III, 23; Harreb. I, 354; O.K. 108; Noord en Zuid III, 346, en Volkskunde XXII, 107; XXIII, 31, waar een kinderprent van Jan de Wasscher is gereproduceerd. Een variant van dezen Jan is Lammen Goedzak (zie Volkskunde XXII, 107); vgl. eng. Tom Long; hd. Windelwäscher.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut