Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goedheid - (het goed zijn, rechtschapenheid, vriendelijkheid)

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

goedheid. In uitroepen als grote/hemelse goedheid dient goedheid eigenlijk ter vervanging van Gods naam. De betekenis ervan is ‘mijn God!’. Zie genadigheid en vergelijk grote genade!; lieve deugd! In de hedendaagse woordenboeken lijkt het erop, dat deze exclamaties niet vóór de 19de eeuw voorkomen. Momenteel is het karakter van de uitroep zoals bij de volgende voorbeelden is aangegeven: (1) “O grote goedheid, dat mag toch niet!” ‘uitroep van schrik’; (2) Rutger liep rood aan. “Grote goedheid,” begon hij. “Waar zit je nou weer met je gedachten?” ‘uitroep van irritatie’; (3) “Grote goedheid, wat ziet u eruit”, begroette hij de de gewonde. “Nog niet genoeg van het vliegen?” ‘uitroep van ontsteltenis, verbijstering’; (4) “Hemelse goedheid”, zei Oscar, “Kees, wat is er met jou gebeurd!” en hij wierp een blik op diens corpulente voorkomen. ‘uitroep van verbazing’. → tijd, troost.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

goedheid ‘het goed zijn, rechtschapenheid, vriendelijkheid’ -> Negerhollands goedheid ‘het goed zijn, rechtschapenheid, vriendelijkheid’.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal