Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

goed - (deugdelijk, niet slecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

goed 1 bn. ‘deugdelijk, niet slecht’
Onl. guot ‘goed; mild’ [10e eeuw; W.Ps.], guod ‘goed, kostbaar’ [ca. 1100; Will.]; mnl. gude [1200; CG II, Servas], gůde [1220-40; CG II, Aiol], guod [1236; CG I, 23], goet [1253; CG I, 46], ook goed, goedt, guet, goit, etc.; vnnl. goet, mv. ook goey [ca. 1540; WNT].
Os. gōd (mnd. gūt, gōt); ohd. guot (mhd. gut, nhd. gut); ofri. god (nfri. goed); oe. gōd (ne. good); on. góðr (nzw. god); got. gods; alle ‘goed, mooi, passend’; < pgm. *gōda-. Wrsch. met oorspr. betekenis ‘wat past, wat betamelijk is’, en dan een ablautende vorm bij *gada- ‘gezel’ en *gadōn- ‘passen, samengaan’, waarbij mnl. gader ‘samen’, dat voorkomt in → vergaderen, zie verder → gade.
Goed heeft in de Germaanse talen geen regelmatige trappen van vergelijking, voor de vergrotende en overtreffende trap zie → beter en → best.

goed 2 zn. ‘spul, goederen, bezit’
Onl. al sin guod ‘al zijn bezit’ [ca. 1100; Will.]; mnl. met al den gode dat het heuet ‘met al het bezit dat het (gasthuis) heeft’ [1236; CG I, 21], guode ‘bezit, goederen’ [1236; CG I, 23], goet ‘id.’ [1237; CG I, 37]; vnnl. mijn schip en goet ‘mijn schip en lading’ [1596; WNT Supp. avontuur ], dat goedt welck ick by my hebbe ‘de waar, de goederen, die ik bij me heb’ [1637; WNT Supp. avanceeren]. Vanaf de 16e eeuw ook met meervoud goederen [1551; WNT zinnen II].
Het bn.goed 1 zelfstandig gebruikt.
Ohd. guot (nhd. Gut), os. gōd; oe. gōd (ne. (mv.) goods), ofri. god (nfri. goet ‘grondbezit’, guod ‘koopwaar’); nzw. gods ‘goederen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

goed* [bn. met positieve kwalificatie] {oudnederlands guot 901-1000, middelnederlands goet} oudhoogduits guot, oudsaksisch, oudfries, oudengels gōd, oudnoors gōðr, gotisch gōþs, runenzweeds goþ [van nobele komaf], van dezelfde stam als gade [passend bij]; buiten het germ. russisch godnyj [deugdelijk], litouws guodas [eer]. In de uitdrukking zich te goed doen [volop van iets genieten] is ‘goed’ een zn. met de betekenis ‘nut, voordeel’, vgl. middelnederlands enen iet te goede doen [iem. iets geven].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

goed bnw., mnl. goet, onfrank. guot, ohd. guot, os. ofri. oe. gōd, on. gōðr, got. gōþs. — vgl. russ. gódnyj ‘deugdelijk’, lit. goda ‘eer’, lett. gùods ‘eer, roem’. — Hochstufe bij de onder gade besproken woorden.

Waarschijnlijk moet men niet uitgaan van een abstrakte grondbet. ‘passend zijn’, maar van ‘wat zich betaamt in de kring van de ding-gemeenschap’, daar woorden als os. gigado ‘zijnsgelijke’, got. gadiliggs ‘verwant’ wijzen op verhoudingen in de gemeenschap. Bovendien wijzen nhd. gatter en gitter op een oerbetekenis van ‘gevlochten tuin’ > ‘ruimte die door een tuin omgeven is’ (J. Trier, Studium Generale 1, 1947-8, 110).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

goed bnw., mnl. goet (d). = onfr. guot (d), ohd. guot (nhd. gut), os. ofri, ags. gôd (eng. good), on. gôðr, got. gods “goed”. Van de bij gade besproken basis ghā̆dh- of ghō̆dh- “geschikt, passend zijn”. Gr. agathós “goed” is niet verwant, evenmin gr. (lak.) kháïos “goed”. — Het znw. goed o. is in al zijn bett. ’t gesubstantiveerde neutrum van ’t bnw. goed. Als znw. reeds mnl. goet (d), onfr. ohd. guot, os. ofri. ags. gôd o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

goed bijv., Mnl. goet, Onfra. guot, Os. gôd + Ohd. guot (Mhd. id., Nhd. gut), Ags. gód (Eng. good), Ofri. gód, On. gódr (Zw. en D. god), Go. gods + Ru. godnŭj = passend (z. gade).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

good (bn.) goed; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) good, Aajdnederlands guot <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

goed bn., (i.h.b.:) overeenkomstig de (veronderstelde) normen van Nederlanders of blanken i.h.a. (m.b.t. uiterlijke kenmerken van Creolen); i.h.b.: goed haar = sluik haar; een goede kleur = een lichte (huids)kleur. Vroeger was je geweldig* als je een Chinese vriendin had. Dan zouden je kinderen goed haar krijgen en een betere kleur (Dobru 1969: 51). - Zie ook: glad*, slecht*, verbeteren*.
— : goede droom (de, dromen), prettige, gunstige droom; voorspoed voorspellende droom. Wanneer je genezen bent, voel je dat en je krijgt ook goede dromen, waarin de winti* je komt bedanken (Wooding 380). - Zie ook: schone* en slechte* droom.
— : bw.: blijf goed: zie blijven*.
— : goed houden, overg. (hield, heeft gehouden), bevriend blijven met, op goede voet blijven met. Zijn moeder had gezegd dat hij tante Nettie goed moest houden als hij ingenieur wilde worden en als hij dacht dat hij naar het lyceum kon (Doelwijt 1972b: 20). - Zie ook: goed* zijn op.
— : er goed uitzien (zag er g. uit, heeft er g. uitgezien), knap zijn (van uiterlijk); een goed figuur hebben. En Harold ziet er zeer goed uit. Ik kan me dan ook levendig voorstellen dat hij een paar maal voor hete vuren gestaan heeft toen er weer een of ander meisje smoorverliefd op hem was geworden (Ferrier 1968: 150). () ik heb n.l. eens de verwarring gezien op het gezicht van een zeer goed (coca-colafles) uitziende dame* met wie ik was toen Alfons haar groette () (Dobru 1968a: 48). - Etym.: Ook in AN, maar veel minder alg. dan in SN.
— : goed zijn: is goed (dan), het is goed, het is in orde, daar ga ik mee accoord. En, hoe vaak zat je niet te huilen en dan zeggen dat je hoofdpijn had. Wel is goed dan, misschien wil je me niet alles vertellen (Vianen 1972: 9).
— : goed zijn op (was, is geweest), goed kennen; op goede voet staan met, het goed kunnen vinden met. Wij zijn goed op elkaar, u weet hoe dat gaat, haar man vaart en zij wil ook wel eens iets (Doelwijt 1972b: 119). - Zie ook: goed* houden.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

goeie: – goeiste – , in uitdr. “goeie/goeiste weet” (WAT s.v. goeie); Scho TWK 14, 1, bi. 13, gee aanh. uit S.A. gebr. v. goeyste in 1849 en merk op: “Goedste as superl. van goed was in die 17de eeu taamlik gewoon”; maar goeie/goeiste in hierdie bet. is wsk. ’n versagting v. God, dus: God weet!

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

goed (een groot --) (vert. van Latijn magnum bonum); (het hoogste --) (vert. van Latijn summum bonum)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

goed. Voor de vloek mijn goeie God (nog aan toe), die irritatie, verwondering, teleurstelling, verontwaardiging e.d. uitdrukt, zie men onder God. Voor goeie genade, grut en hemel(tje) zie men die trefwoorden.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

goeie In 1897 voor het eerst aangetroffen, in Vlaanderen, in de zegswijze een goeie opzetten voor ‘een borrel drinken’. Onlangs is deze borrelnaam nog in de Achterhoek gehoord in de betekenis ‘jenever zonder suiker’. ‘Mien opa zei,’ zo citeert een dialectwoordenboek een zegsman, ‘doet mien moar ’n goeie; as der suker in moes, dan deie ze dat op de fabriek wel.’ In sommige streken gebruikt men goeie voor ‘stevige borrel’, dus een ‘goed vol’ glas.
Vergelijk kale en stevige.

[Nav. 47:62; Schaars 414]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Goed schijnt verwant met gade: wat bij iets behoort, wat passend is; zie Gade.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

goed ‘niet slecht’ -> Frans dialect † faire gode chere ‘een goede maaltijd genieten’; Ambons-Maleis gut ‘niet slecht’; Javindo goet ‘niet slecht, oké!’; Negerhollands goed, goei, goeie, got, gu, gue(t) ‘niet slecht’; Skepi-Nederlands gut ‘niet slecht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

goed* niet slecht 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

184. Een goed begin is 't halve werk.

Deze gedachte vinden we in het Ndl. het eerst opgeteekend in de 17de eeuw bij De Brune, Bank. I, 190: 't Beghin is 't halve-werck (vgl. bij Horatius dimidium facti qui coepit habet naar 't gri. αρχη ημισυ παντος); I, 190: 't Hanght alles aen een goed beghin; Huygens, Korenbl. II, 298:

Floor had berouw van eersten aen,
En heeft twee weecken pass by 't nieuwe wijf gelegen:
 Maer 't spreekwoord geeft hem troost, hy hoopt hy is half wegen:
Begonnen werck is half gedaen.

Zie verder Harreb. I, 43 en vgl. de variant: Een goed begin is een daalder waard; Teirl. 114: Een goed begin is een halve winste; goed begonnen is half gewonnen; fri. in goed bigjin is de helte fen 't wirk; hd. guter Anfang ist halbe Arbeit; ook in het nd. de Anfang is 'n Daler wert (Eckart, 12); wohl begonnen ist halb gewonnen; nd. begunnen is half gewunnen (Eckart, 40); eng. well begun, is half done; a good beginning is half the battle; fr. qui commence bien, finit bien.

242. In een goed (of slecht) blaadje staan,

d.w.z. ergens goed aangeschreven zijn, goed of slecht te boek of te bladZie Rusting, 213: 't Schreyen toont sig al wat raars; althans daar moet het voor te blat staan. staan; fr. être bien ou mal noté. Bij Roemer Visscher, Brabbeling, 6: In 't qua blaedtken staen, d.i. op het blad, waarop de slechte betalers worden genoteerd; zie verder Hooft, Brieven, 133; 345; V. Moerk. 567; Pers, 281 a; 284 a; Van Effen, Spect. V, 35; XI, 6; Ndl. Wdb. II, 2767. Waarschijnlijk heeft in de bet. op (vgl. bij Hooft, Brieven, 402: 't Zwart in 't wit hebben d.i. zwart op wit hebben.Zie ook de opmerkingen in Taal en Letteren I, 276 en vgl. Mnl. Wdb. III, 816. Volgens Welters, 97, zegt men in Limburg: ‘op een slecht blaadje staan’; evenzoo in het Antw. en Westvl.: bij iemand op een goed of slecht blaadje (blaaiken) staan; zie Antw. Idiot. 245; De Bo, 141, waar uit Poirters wordt aangehaald:

 Met veynzen wort hier niet ghedaen,
 Ten sy wy op t' schoon blaeyken staen.

Zie ook Joos, 74 en vgl. nog het fri.: hy stiet yn in goed bledtsje of yn in goed boekje, waarmede te vergelijken is het eng. to be in the (good) books of the bad (black) books; Rutten, 32 b: op iemands zwarten boek staan, iemands vijand zijn; Waasch Idiot. 120 a: bij iemand op een slecht, op een zwart of op het leste blaadken staan, in ongunst aangeschreven zijn; op een wit blaadken staan, de gunst genieten.

386. Beter een goede buur dan een verre vriend.

Deze gedachte vindt men in den Bijbel, Spreuken 27: 10, uitgedrukt met de woorden: Beter is een gebuer die naby is, dan een broeder die verre is, waaruit blijkt, dat vriend moet worden opgevat in den zin van bloedverwant. Bij Campen, 18: Beter een na nabuer dan een veer vrent. Zie verder Grimb. II, 5382: Hout u gebuere over u vrient; by goeden gebueren, sonder sorgen, heeft men dicke goeden morgen; Hild. 241, 97: Goet ghebuer is vrient ter noot; Werner, 103: Utilior presto vicinus fratre remoto; Bebel, 75; Erasmus, CL; Sart. II, 4, 60; De Brune, 231; Een nae ghebuyr veel beter dient, als dickwils doet een verre vriend; Tuinman I, 360: Beter is een goed nabuer, dan een verre vriend; Harrebomée I, 105 a; Ndl. Wdb. III, 1935; Taalgids IV, 266; Waasch Idiot. 237: 't Is beter een goede gebuur als een verre vriend; Tuerlinckx, 404; Teirl. 451; Antw. Idiot. 1697; Claes, 67: 't Is beter een naë gebuur as een wije vriend; fr. qui a bon voisin a bon matin; hd. ein guter Nachbar in der Not ist besser als ein ferner Freund; oostfri.: beter 'n gôd naber as 'n ferre fründ; eng. a good neighbour is worth more than a far friend.

709. Iemand iets te (of ten) goede houden,

d.i. in eigenlijken zin: iets iemand in diens voordeel aanrekenen; hem er als 't ware voor crediteeren (hd. jem. etw. gut oder zu gute schreiben); in oneigenlijken zin: iets iemand niet ten kwade duiden; vgl. het mnl. te goede houden, verontschuldigen, niet kwalijk nemen; Ndl. Wdb. V, 328; hd. jem. etw. zu gute halten.

857. Have en goed,

d.w.z. al iemands bezittingen; mnl. have ende goet; hd. Hab(e) und Gut; eng. goods and chattels. Eig. verstond men onder have de roerende goederen, die men in de middeleeuwen ook noemde havelijc goet en in de 17de eeuw tilbare have (Hooft). Vgl. Plantijn: Have ende goedt, substance, des biens meubles, substantia, bona, orum opes; zie verder Mnl. Wdb. III, 181; Ndl. Wdb. VI, 128; Joos, 57: have en goed; have en erf, al wat men bezit.

1605. Kan uit Nazareth iets goeds komen?

Volgens Zeeman, 248 worden deze woorden gebruikt ‘als men te kennen wil geven, dat er van eenig persoon uit een afgelegen oord of eene onbeschaafde omgeving afkomstig niet veel te verwachten is’. Ze zijn ontleend aan Joh. I, vs. 47: Ende Nathanaël seyde tot hem: Kan uyt Nazareth yet goets zijn?

2043. Goede sier maken,

d.w.z. fijn, lekker laten opdisschen, een prettig, vroolijk leventje leiden, mijken en smijken, zooals de Westvlamingen zeggen; smikkelen (Schuerm. 632 b; Boekenoogen, 710: opsmikkelen); goeden smik maken (Kl.-Brab.); fr. faire bonne chère a qqn; mnl. goede (goet) chier(e) maken, eig. iemand een vriendelijk gelaat (lat. pop. cara) toonen, en vandaar: hem goed ontvangen, gastvrij onthalen; en bij verdere overdracht: een vroolijk leven leiden, pret maken; zie het Mnl. Wdb. I, 1498; Joos, 81 en Jacobs, Verouderde woorden, 52; 229.

387. Al te goed is buurmans (of allemans) gek,

d.w.z. iemand die al te goed is, wordt het slachtoffer van zijn eigen goedheid. Zie Smetius, 67: Die alte goet is, is sijner nabuyren gek; Tuinman I, 228: Al te goed is zyn nabuurs gek; Harreb. I, 104 b. In het fri.: Al to goed is in oarmans gek; Taalgids IV, 246; Waasch Idiot. 261: Alte goed is allemans zot; 't Daghet XIII, 48: Al te goed is half zot; Antw. Idiot. 499: Veel te goed is half zot; Eckart, 174: Gôd is gôd, mar altô gôd is Allermanns Narr oder jedermanns Hunsfuet. Op Goeree en Overflakkee: Goedzak moet den zak ophouden.N. Taalgids, XIV 249.

438. In goeden doen zijn,

d.i. gefortuneerd zijn, het goed kunnen doen, goed bij de planken kunnen. Het znw. doen kan hier de beteekenis hebben van zaak, bedrijf, gedoente, zuidndl. doening, zaak, winkel, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen: hij heeft een goede zaak; vandaar: hij vaart wel, zit er goed bij. Of moeten we aan doen de beteekenis toekennen van toestand (vgl. het oude doen), waarin het in de middeleeuwen reeds voorkwam? Sedert de 17de eeuw is de zegswijze bekend; zie Hooft, Ned. Hist. 221: Verscheyde luyden van goeden doene werden'er uit al hun welvaaren geworpen; Tuinman I, 303: Hy is in goeden doene, dat is, zyn handel en bedryf is gelukkig, hy vaart wel, hy is goeder dingen; Halma, 114: Hij zit in goed doen, il est fort bien dans ses affaires: son négoce va fort bien. Ook in het Antw. Idiot. 361: In 'nen goeien doen zijn, welvarend zijn, goede zaken maken; bij Tuerlinckx, 124: Goed in zijnen doen zijn, in welvaart verkeeren.

474. Goed uit zijn doppen zien of kijken,

d.w.z. goed uit zijn oogen zien. Onder dop moet in eigenlijken zin verstaan worden ooglid, vandaar oog. Vgl. fri. dop, de oogklep aan de blindkap van een paard; daarna oog: dy faem sjucht goed helder ut hjar doppen, dat meisje ziet goed helder uit haar oogen; Molema, 813: Krieg de oogen in de hand en kiek oet de doppen wordt gezegd wanneer iemand klaagt dat hij iets niet goed kan zien; Köster Henke, 15: doppen, oogen, goed uit zijn doppen kijken. Hij wreef zich de doppen eens uit; Het Volk, Zondagsblad 8 Nov. 1913 p. 1 k. 1: Verknoeide een zijn werk dan klonk het goedig: ‘Zeg, Rooie, je hebt zeker je doppen weer thuis gelaten’; Jord. II, 40: Wa hei jij 'n kringen onder je doppe; Landl. 167: Die weerlagsche wind jaagt je 't bruiswater mik in je doppe en beneemt je 't zicht; Dievenp. 101: 'n Rechercheur die z'n vak verstaat moet beter uit z'n doppen kijken eer hij zich tweemaal vergist; Jord. 125: Keken ze daar wel goed uit hun doppen? bl. 15: Kààk uyt je doppen mààd (meid); Boefje, 121: Met de les dat ie dan maar uit z'n doppe most kijke; PadvinderOrgaan voor de Boy-Scout beweging in Nederland., 1913, p. 98: Heb je tuk, ruik je lont, geef bericht terstond, maar kijk eerst nog eens goed uit je doppen; Landl. 82: Nou niet praten en goed uit je doppe gekeke. - Hiernaast ook iets in zijn doppen hebben, iets inzien, snappen. Vgl. Jord. 9: Je skep te haùg... hei je dèt nie in je doppe? Iemand in de doppen kijken; o.a. Slop, 89: Nu hij zichzelf bij de politie aanmeldde, behoefde hij dat alles niet te doorstaan, kon hij ze rechtuit in de doppen kijken. Zijn doppen openzetten of houden o.a. Zondagsblad van het Volk, 1905 p. 367: Toen begon 'k met in m'n onmiddellijke omgeving eens goed m'n doppen op te zetten; Padvinder, 1913 p. 609: Als je je doppen open houdt, is het onmogelijk van een troep af te dwalen.

542. Eind goed, al goed,

d.w.z. als de zaak maar goed uitvalt, afloopt, vergeet men de moeite en zorg daaraan besteed, of ook het minder goede, dat er aan vooraf ging. Deze gedachte, in het Latijn uitgedrukt door exitus acta probat, mlat. omne bonum pulchre veniens in fine beatum, komt in de Middel-eeuwsche geschriften meermalen voor. Zie Matth. 78: tEnde goet al goet; Lksp. III, 3, 589: Aen 't ende die lof al leit; IV, Prol. 10: Wie dat einde heeft goet, hi is goet altemale; Sp. Hist. I, 52, 15: Dende proevet alle dinc (lat. exitus acta probat) en de rijmspreuk:

Tis niet te schelden dat yement doet,
Maect hi sijn daet ten eynden goetTijdschrift XII, 105; 97; Suringar, Rijmspr. I, 23 en Bouc v. Seden, 120..

Prov. Comm. 436: Ist deynde goet so eest al goet, totum laudatur finis si laute beatur; si finis bonus est totum laudabile tune est; vooral R. Visscher's Sinnepoppen, 1614, eerste schock LX: Ist eynd goet, soo ist al goet met de verklaring ‘Alle dinghen worden begonnen, om die met kosten, arbeyt ende neerstigheydt te brengen tot het eynde: soo dat dan soo goet is, dattet den aenleggher vernoeght, soo heeftet den krans of prijs verdient, ende men moet het pryzen’; t' Loff der Mutse, 43: Het midden en t'beginsel van all datmen doet wort ghepresen om het eynde, soo dat is goet; Huygens, Korenbl. II, 367. Verder zie men de door Harrebomée I, 180 a opgegeven schrijvers; benevens Waasch Idiot. 207 b; Teirlinck, 402; Bebel, no. 475; Werner, 97: Te minime iacta! quoniam probat exitus acta. Premia iustorum pendent in fine bonorum; Wander I, 816. In vele talen komt deze uitdr. voor; vgl. o.a. het fr. tout est bien qui finit bien; mhd. ist daz ende guot so wirt es allez guot; hd. End gut, alles gut; eng. all is welly that ends wel; the evening crowns the day.

Dezelfde gedachte wordt uitgedrukt door het einde kroont het werk, in het latijn vertaald als finis coronat opusNiet bij Otto te vinden., het einde zet de kroon, den lauerkrans(?) op het werk; vgl. hd. das Ende krönet (oder lobt) alle Werk; fr. la fin couronne l'oeuvre; eng. the end crowns all; ital. il fine corona l'opera; zie Boeth. 190 d: Thendeken gheeft de croon; De Brune, Bank. I, 174; II, 354; Sewel, 212; Harrebomée I, 180 b; Joos, 150; Wander I, 816; Eckart, 98; Smetius, 230: het eijnd heeft den danck; De Brune, 183:

Staet op 't begin niet al te sterck,
Het eynd' alleen, dat kroont het werck.

2469. Goed voorgaan, doet goed volgen.

Deze gedachte, ook uitgedrukt door een goed voorbeeld doet goed volgen, wordt in de 16de eeuw aangetroffen bij Servilius, 81*: Wel voor ghegaen, doet wel volghen; Sartorius I, 9, 69: Bonus dux bonum reddit comitem, wel voorgaen doet wel volgen; De Brune, 53: Wel voorghegaen, wel naer-ghedaen; Bank. 2, 228: Wel voor-ghegaen, doet wel naer-volghen; Harreb. III, 78; hd. gutes Beispiel, gute Nachfolge; eng. a good Jack makes a good Jill. Zie no. 1353.

490. Alle goede dingen bestaan in drieën.

Prof. Fockema Andreae deelt, naar aanleiding van dit gezegde in de Mededeelingen van de Maatschappij der Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 117 het volgende mede: ‘Het getal drie speelt, het is bekend, in de oude zeden een groote rolVgl. Grimm, Rechtsalterth.4, I, 286-287, maar allicht zou de algemeene uitspraak niet zoo absoluut voortleven in den volksmond, als zij niet als rechtsregel van groote beteekenis was geweest. Er zijn 3 dingen (d.i. gewone terechtzittingen), 3 gemeene waarheden, 3 ommegangen. Het echte ding duurt 3 dagen. Eerst driemalig verstek heeft volledig gevolg. Wie zijne macht over eene onroerende zaak uiterlijk wil vertoonen, moet die 3 dagen bezitten, en er 3 gasten ontvangen. Een pand mag eerst aan den pandhouder in eigendom worden toegewezen, als het 3 maal ter lossing geboden is. Is er gepand aan iemands poortrecht, dan moet hij 3 maal om den blauwen steen worden geleid alvorens te worden ontpoorterd. Wie hapert of stamelt bij het doen van den eed, wordt geacht dien niet gedaan te hebben. In gewichtige zaken mag hij echter den eed driemaal beproeven. Bij verkoop moet men somtijds de zaak driemaal bieden, uitroepen (om tot verzet gelegenheid te geven). Vandaar ongetwijfeld nog eens ‘eenmaal, andermaal, ten derden en laatsten maal’. Waar het oproeping ter terechtzitting geldt, wordt hier en daar o.a. in zeezaken aan de drie ten overvloede, om de maat vol te meten, nog een vierde toegevoegd. Ook dit gebruik schijnt nu nog in den volksmond bewaard, maar in den vorm, dien ik niet volkomen kan verklaren, nl. in dezen: ‘driemaal is scheepsrecht, en éen voor den knecht’; vgl. fri. trije is skippers-rjucht en ien for de feint (d.i. drie is schippersrecht en éen voor den knechtVolgens het Fri. Wdb. III, 316 mocht vroeger, toen ook van uit Holland komende tabak in Friesland belasting werd geheven, ieder schipper voor eigen gebruik drie pond aan boord hebben en één voor den knecht. Deze vier pond was vrij. - Prof. Fockema Andreae schreef aangaande deze zegswijze: ‘Zooals bekend is, was driemaal in vele opzichten recht, waarbij evenwel vaak ex superabundantia een vierde kwam. Daar nu ook op zee driemaal in vele gevallen recht was (o.a. was de schipper verplicht drie maaltijden aan de schiplieden te geven), werd eene onbetamelijkheid onder het schaften gestraft met drie slagen met de gortspaan, wordt driemaal hoera geroepen, en wordt een lijk met een éen-twee-drie, in Gods naam over boord gezet, kan men gedacht hebben, dan moet bij die driemaal, die scheepsrecht zijn, ook een vierde, die men dan in scherts en onnadenkend iets voor den knecht heeft genoemd. Op eene dergelijke wijze kan dit achtervoegsel zijn ontstaan, toen men den eigenlijken zin der zegswijze niet meer begreep’. Ook in het Nederduitsch is eene dergelijke zegswijze bekend, o.a. bij Reuter, 98: dreimal is recht, dat virte Mal en Schinnerknecht (schinderknecht); zie ook Frischbier, II, 2144.). Zie ook Boefje, 146: Hij nam er nog maar eentje voor 't sjegrijn, en 'n slaapmussie, en eentje omdat driemaal scheepsrecht is; Molema, 366 b: 't Darde moal is schippersrecht; Eckart, 85: drêmael is Bûrrecht; Dirksen, II, 20: dremâl is ôstfrese recht; Wander I, 695; Ons Volksleven VIII, 229 en Antw. Idiot. 378: alle goede dingen bestaan in drij; fr. le troisième coup fait feu; hd. aller guten Dinge sind drei; eng. the third time is lucky; third time is catching time.

708. Gestolen goed gedijt niet,

ook onrechtvaardig (of oneerlijk) goed gedijt (of bedijt) niet; lat. male parta male dilabuntur; mlat. de male quesitis non gaudet tercius heres; fri. stellen goed dyt net (vgl. Salomo, Spreuken X, 2). Sedert de middeleeuwen bekend, blijkens Lekensp. III, 4, 180: Onrecht goet gherne tegaet; Bouc v. Seden, 166: Selden sietmen becliven tgoet dat qualike es ghewonnen, syn. van qualic vercregen, onverre ghedregen; zie verder Goedthals, 34: quaet goed en rijckt niet, de bien mal acquis ne iouit le tiers hoir; Servilius, 148*: onrecht goet en beclyft niet; Sartorius III, 4, 30: onrechtveerdigh goet rijckt niet, waarvoor we bij Coster, 511, vs. 451 lezen: 't Ghestolen goet en streckt niet; bij Heinsius, Verm. Avant. 2, 310: Onrechtvaardig goed gedyt niet. Zie Harrebomée I, 248 b; Joos, 187; Antw. Idiot. 2234: onrechtveerdig goed gebenedijdt niet; Büchmann, 355; Wander I, 1657: unrechter Gewinn ist bald dahin; unrecht Gut gedeiht oder reichet nicht; fr. bien mal acquis ne profite pas; du diable vint au diable retourne; eng. ill-gotten goods seldom prosper or thrive. Vgl. no. 688.

710. Iets te goed (of goê) houden.

Uit de voorafgaande uitdr. vloeit voort, dat dit moet beteekenen: iets op zijn credit hebben, het van een ander nog te vorderen hebben; ook in het algemeen gezegd van verplichtingen. Hier is goed dus evenals in de volgende uitdr. een znw. In de 18de eeuw is deze uitdr. het eerst aangetroffen; Ndl. Wdb. V, 328. Iets te goed hebben, d.w.z. nog te vorderen hebben (mnl. te bet hebben), nog te verwachten hebben, dikwijls in ironischen zin het tegengestelde van iets te quaad hebben, iets moeten betalen (Halma, 522). Zie no. 645; vgl. Ndl. Wdb. V, 329, waar enkele plaatsen uit de 18de eeuw zijn aangehaald; B.B. 78: Dan kijkt hij in mijn boekje, hoeveel ik te kwaad heb en hoeveel te goed. En nu wil ik eens veronderstellen dat ik meer te goed heb dan te kwaad, dan heb je 't spul aan den gang; B.B. 78: Als je meer te kwaad hebt dan te goed, behoef je geen erfgenamen op te roepen; Waasch Idiot. 261 b; Teirl. 509; 510: iet op iemand (te) goed hauwen naast iet goed vinden; hd. etwas gut haben bei jem.; fri. whet te goede halde.

711. Zich te goed doen,

d.w.z. volop genieten (van iets), zijn hart ophalen. Ook hier is goed een znw. in de bet. van nut, voordeel, zoodat de uitdr. eig. wil zeggen: iets doen tot nut van zich zelf (oorspr. 3de naamv.); vgl. het mnl. enen (iet) te goede doen, 17de eeuw iemand te goed doen, iemand zijn gerak geven, geven wat hem toekomt. Thans met betrekking tot spijs of drank het lijf, zich te goed doen (ook, vooral in Zuidndl., zich goeddoen). Zie Ndl. Wdb. III, 2722; V, 327; Mnl. Wdb. II, 2044; Teirl. 510; vgl. hd. sich gütlich, sich zu gute tun. Vgl. ook te goede komen aan iemand, hd. einem zu gute kommen, er nut of voordeel van hebben.

1250. Kort en bondig,

vroeger ook kort maar bondig, d.i. kort en krachtig (Cluysw. 177: Kort en besnoeyt), doch de beteekenis van bondig is thans zoo overschaduwd door die van kort, dat wij nu in deze uitdrukking een tautologie zien in den zin van beknopt, kort, hoewel meestal met het bijdenkbeeld flink, krachtig. Vgl. Nyrop, 188; no. 882; kort en goed (= kort; Spieghel, 278); het vroegere waken en braken, waarin de oorspr. bet. van het laatste woord, nl. die van nachtbraken, gewijzigd werd onder invloed van het eerste; het mnl. cost ende pine, cost ende arbeit, waarin de bet. cost op den achtergrond treedt; lesen ende spellen (= lesen); singen ende lesen (òf zingen òf zeggen); tale ende antwoort (= antwoord); het 17de-eeuwsche gnap en gnut, en ons nuttig en noodig, mnl. nut ende noot, waarbij het laatste woord de bet. van het eerste heeft aangenomen. In de 17de eeuw komt de uitdr. o.a. voor in de Gew. Weeuw. I, 33; III, 67; Bank. II (tot de Lezers). Zie verder het Ndl. Wdb. III, 351; Mnl. Wdb. IV, 2508 en vgl. hd. kurz und bündig; eng. short and pithy.

2520. Goed in zijn (slappe) was zitten,

d.w.z. in eigenlijken zin veel slappe was hebben, eene soldatenuitdrukking. Slappe, zwarte was wordt gebruikt voor het glimmend maken van het ledergoedTaal en Letteren IX, 126; XV, 61; Noord en Zuid, XXVIII, 181; Woordenschat, 358; Van Ginneken II, 463: In de was zetten, iets zwart maken: ook in de slappe was zetten. De uitdrukking werd (1860-1885) vooral gebezigd van knevels door kunstmiddelen zwart maken.. Bij overdracht gebruikt men deze uitdr. in den zin van er warm bij zitten, bemiddeld zijn, 't goed kunnen stellen, wat achter 't linnen hebben (Bergsma, 6). Vgl. Nkr. II, 29 Maart p. 4:

 Geen stroozak zal mankeeren,
 Geen krib is ongeverfd,
 De slappe was in voorraad,
 Opdat geen leer bederft.

Lvl. 240: 't Was beter voor jou als jij afscheid nam van die slappewaskennissen (uit de kazerne) van je; Het Volk, 31 Oct. 1913 p. 5 k. 1:

 Amsterdam heeft duiten noodig,
 Amsterdam is slecht bij kas,
 Amsterdam zit al sinds jaren
 Mager in zijn slappe was.

Nederland, Aug. 1914, p. 441: Dan zat hij meteen goed in zijn slappe was! Zoo gek zal hij toch niet wezen, om een weduwe met vijf kinderen te trouwen!

2605. Een goed woord vindt altijd eene goede plaats,

d.w.z. ‘met beleefdheid of vriendelijkheid krijgt men eerder iets gedaan dan met onvriendelijkheid’. Zie Campen, 21: een guedt woort vyndt een guede stede, het scadet ia niemant ende nuttet yederman; Spieghel, 279: een ghoet woort vint een goe ste; Kluchtspel II, 110: Ien goet woort, heb ick wel 'ehoort, neemt altijt ien goê steê; De Brune, 100:

 Een goed woord, wel te voor bezint,
 Altijds een goede plaetse vint.

Tuinman II, 208: Goede groet maakt goede andwoord; een goed woord vind een goede steê, beleeftheid verwekt beleeftheid. Licht men den hoed af voor ymand, men verplicht hem om dat weder te doen. Andersins haalt het eene woord het andere uitZie dit bij Spieghel, 279; Mergh, 32; De Brune, 476: Het eene woord lockt tander uyt; Tuinman II, 212; Besteedster, 25; Harreb. II, 480 b; V. Janus, 311; Lev. B. 121; Telegraaf, 29 Dec. 1923 (O) p. 5 k. 6; hd. ein Wort gibt (holt) das andre; eng. one word draws on another.; Harreb. II, 186 b; Suringar, Erasmus, CXC; Joos, 148; Eckart, 575; Jahrb. 38, 162; Wander V, 122; 403: ein gutes Wort findet einen guten Ort oder eine gute StattZeitschrift f.D. Wortf. IX, 309.; eng. a good word is never out of season; kind words go a long way; deensch: godt ord finder et godt stedt; zweedsch: god ord finna god rum; fr. jamais beau parler n'écorcha la langue.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut