Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

godsvrucht - (vroomheid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

godsvrucht zn. ‘vroomheid’
Mnl. in een geïsoleerde vindplaats dar hilden si feeste ende brulucht. helechlike met gode vrucht ‘daar hielden ze een bruiloftsfeest, op heilige en vrome wijze’ [1285; CG II, Rijmb.]; daarna pas vnnl. godsvrucht [1605; WNT waar IV], naast incidenteel godvrucht ‘godvrezendheid, vroomheid’ [ca. 1610; WNT].
Gevormd, wrsch. als leenvertaling van Latijn timor Dei ‘vrees voor God’ en naar het voorbeeld van het oudere Hoogduitse Gottesfurcht [eind 15e eeuw; Pfeifer], uit de genitief van → god en een als simplex reeds lang verouderd en alleen nog in deze samenstelling bewaard gebleven woord vrucht ‘vrees’. Mede door de homonymie met → vrucht ‘eetbaar product van een plant’ is dat simplex uit het Nederlands verdwenen ten gunste van het synoniem → vrees.
Mnl. vrucht ‘vrees’ is ontstaan uit onl. forhta ‘id.’ [10e eeuw; W.Ps.], met de Noordzee-Germaanse metathese van r voor -(c)ht of -ft zoals in → gewrocht, → nooddruft en in -brecht naast -bert (< *berht) in oude Germaanse eigennamen, zoals Adelbrecht naast Adelbert. Hierbij bestond ook een afgeleid werkwoord mnl. vruchten ‘vrezen’ < onl. furhton, forhton [10e eeuw; W.Ps.].
Met mnl. vrucht zijn verwant: os. forhta (mnd. vruchte, waaruit ozw. en nzw. fruktan); ohd. for(a)hta (mhd. vorht(e), nhd. Furcht); ofri. fruchte; oe. fyrhtu, fryhto (ne. fright); got. faúrhtei; afleidingen van een bn. pgm. *furhta- ‘bang’, waaruit zijn ontstaan: os. for(a)ht, ohd. for(a)ht; oe. forht ‘bang’; got. faúrhts; mnl. *vrucht (bn.) ‘bang’ is niet geattesteerd, wel de afleiding vruchtich. Hierbij de werkwoorden: os. forhtian; ohd. furihten, for(a)htan (nhd. fürchten); ofri. fruchtia; oe. fyrhtan (vne. fright, daarnaast de jongere afleiding ne. frighten ‘doen vrezen’); got. faúrhtjan.
Mogelijke Indo-Europese verwantschap bestaat alleen in Tochaars A en B parska- (< *prk-sḱé-) ‘vrezen’ en Latijn precārī ‘bidden’, zodat men zou kunnen uitgaan van een uitbreiding met -k- resp. -sk- van een wortel pie. *per- ‘bang zijn’ (IEW 818) zoals wellicht ook in → gevaar.
godvruchtig bn. ‘vroom, vol godsvrucht’. Mnl. godvructich ‘id.’ [1285; CG II, Rijmb.]. Onder invloed van bovengenoemd zn. ook wel met tussen-s: Godsvruchtigh [ca. 1570; WNT zwanger]. Samengesteld uit → god en het bn. mnl. vruchtich ‘vrezend’.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

godsvrucht

Wanneer men het woord godsvrucht vergelijkt met het Duitse woord waaraan het is ontleend, wordt het vreemde tweede woorddeel onmiddellijk duidelijk. In het Duits luidt het namelijk Gottesfurcht, dus: vrees, ontzag voor God. Het Nederlandse godsvrucht is na 1600 opgekomen naast het toen al bestaande bijvoeglijke naamwoord godvruchtig, Middelnederlands godevruchtich: vroom. Het Nederlandse en het Duitse woord zijn gevormd naar voorbeeld van het Latijnse timor dei, Grieks phobos theou. Naast godvruchtig kwam ook godvrucht (zonder s) als bijvoeglijk naamwoord voor. Gijsbrecht spreekt Willebrord aan met: godvruchte vader. In het Middelnederlands komen vrucht: vrees en vrucht: bevreesd nog als zelfstandige woorden voor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

godsvrucht znw. v., sedert c. 1600 opgekomen < nhd. naast het bnw. godvruchtig, mnl. godevruchtich ‘godvrezend, vroom’, godevruchtich, mhd. gotforhtic. Het woord is gevormd naar de bijbelse term phóbos theoũ; het 2de lid is dus het woord mnl. vrucht ‘vrees’, onfrank. forhta, os. ohd. for(a)hta, ofri. fruchte. Daarnaast met ander suffix oe. fyrhtu (ne. fright), got. faurhtei. Dit zijn afl. van het bnw. os. ohd. for(a)ht, oe. forht, got. faurhts ‘bevreesd’. Verder nog het ww. mnl. vruchten, onfrank. forhton, forhtan, forhtin, os. for(a)htian, ohd. furhten, for(a)hten, ofri. fruchta, oe. forhtian, got. faurhtjan ‘vrezen’.

Deze in het noordgerm. ontbrekende woordgroep (daar verdwenen of in het westgerm. nieuw ontstaan?) heeft geen overtuigende parallellen in de andere idg. talen gevonden. Het dichtste daarbij komt toch. AB pärsk, A prask Β. prāsk ‘vrezen’, A. praski, B prosko, proskye ‘vrees’; indien hier -sk- uit -k-sk- te verklaren zou zijn, dan zou men deze etymologie als zeer waarschijnlijk mogen beschouwen (IEW 820). Dan een merkwaardige coïncidentie dat het Germ. en het Tochaars de enige talen zouden zijn, die deze stam bewaard zouden hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

godsvrucht znw. Sedert ± 1600. Gevormd bij mnl. gōdevruchtich (nnl. godvruchtig) “godvreezend, vroom” = mhd. (14. eeuw) gotforhtic (nhd. gottesfürchtig), mnd. gōdevruchtich “id.”. ’t Tweede lid komt van mnl. vrucht(e) v. “ vrees” = onfr. forhta, ohd. for(a)hta (nhd. furcht), os. for(a)hta, ofri. fruchte v. “vrees”. Met ander suffix ags. fyrhtu (eng. fright), got. faúrhtei v. “id.”. Hieraan ligt ten grondslag ’t bnw. ohd. for(a)ht, os. for(a)ht, ags. forht, got. faúrhts “schuchter, bevreesd”. [Vgl. nog ohd. gotforht, ags. godfyrht, got. gudafaúrhts “godvreezend”.] Hierbij ww. naar verschillende zwakke klassen: mnl. vruchten, onfr. forhton, -un, -an, -in, ohd. furhten, for(a)hten (nhd. fürchten), os. for(a)htian, ofri. fruchta, ags. forhtian, got. faúrhtjan “vreezen”. Oorsprong onzeker. Men heeft vergeleken: 1. oi. ‘sprcati “hij raakt aan”: germ. *furχta- op den anlaut na = verl. deelw. spṛṣṭá-, 2. oi. parkata- “angst, smart” (niet uit teksten bekend), 3. arm. erk “moeite, last, kommer”, erkn “barensweeën, vrees”, erknč̣im “ik vrees” (zeker onjuist.; arm. erk- < idg. dw-; bij gr. d(w)éos enz.; zie twijfel), 4. lat. querquerus “rillerig”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

godsvrucht. Verwanten buiten het Germ. van het 2e lid zijn nog niet aangewezen. Bij de door v.Wijk vermelde gissingen kan gevoegd worden de combinatie van Holthausen IF. 39, 65 met toch. (A.) praski ‘vrees’, dat dan uit *prak-ski zou ontstaan zijn. Vaag Güntert Reimw. 47: bij lat. parco ‘ik spaar, onthoud mij’, compesco (*comparc-sco) ‘ik sluit in’ (grondbet. ‘beklemmen, drukken’), gr. pórkēs ‘speerring’; Falk Ark. 41, 135 brengt hierbij ook noorw. fergja, farga ‘drukken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

godsvrucht v., + Hgd. gottesfurcht: het tweede lid *vrucht, Mnl. id. = vrees, verbaalabstr. van vruchten (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

godsvrug: “godvresendheid”; Ndl. (sedert ± 1600) godsvrucht (Mnl. reeds b.nw. godevruchtich, “godvresend” na vb. v. Mhd. gotforhtic, gevorm na die Bybels-Gr. model phobos theou, “vrees van God”); tweede lid het geen verb. m. vrug, “plantaardige gewas” nie, maar wel m. Mnl. s.nw. vrucht, ww. vruchten, “vrees”, verderop m. Hd. furcht, fürchten, (gottes)fürchtig en Eng. fright; verw. buitekant Germ. onseker.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

godsvrucht (Duits Gottesfurcht)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

godsvrucht devotie 1605 [WNT waar IV] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal