Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

god - (opperwezen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

god zn. ‘opperwezen’
Onl. got ‘(de christelijke) God’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26]; mnl. god, zelden gespeld als got, dit in tegenstelling tot andere woorden die in de uitspraak eindigen op /-t/.
Os. god (mnd. got); ohd. got (nhd. Gott); ofri. god (nfri. god); oe. god (ne. god); on. guð, goð (nzw. gud); got. guþ, verbogen gud-; < pgm. *guda-.
Verdere etymologie onzeker. a) Meestal veronderstelt men (NEW, Pfeifer, BDE, ODEE) afleiding van pie. heuH- ‘aanroepen’ (IEW 413), waarbij o.a. Oudkerkslavisch zŭvati ‘roepen’; Litouws žavėti ‘betoveren’; Sanskrit -hūta- ‘aangeroepen’, havate ‘hij roept’. Pgm. *guda- zou dan betekenen ‘datgene wat aangeroepen wordt’, wat dan ook de onzijdige vorm van het woord verklaart; de laryngaal H zou echter in het Germaans een lange ū moeten veroorzaken. (b) Kluge, Bjorvand/Lindeman gaan daarom uit van pie. heu- ‘gieten’ (IEW 447), met voor het zn. een betekenisontwikkeling van ‘drankoffer, plengoffer’ naar ‘degene aan wie dit offer wordt gebracht’; dit lijkt echter vergezocht. (c) Zeer onwrsch., mede vanwege de ook hier niet verklaarde korte Germaanse u, is de aanname van Shields 1996, die pie. *gho-ut-óm reconstrueert, uit een aanwijzend partikel *gho- (vergelijk Latijn hic, haec, hunc ‘deze, die’) en een partikel *ut ‘omhoog, buiten’ (zie → uit), en daarmee een oorspr. betekenis ‘die daarboven’ veronderstelt. (d) Wrsch. moet men daarom uitgaan van ontlening aan een voor-Germaanse substraattaal (Beekes 2000, eerder ook al Feist en Lehmann).
Het Proto-Indo-Europese woord voor het begrip ‘god’ was *déiu-os, waarbij o.a. de Germaanse godennaam *Tiwaz (Oudnoords Týr, etc., zie → dinsdag) en Latijn deus, zie verder → joviaal.
Het Germaanse woord was oorspr. onzijdig, maar is onder invloed van het christendom mannelijk geworden. Zie ook → afgod.
goddelijk bn. ‘betreffende god; verrukkelijk’. Mnl. godelec ‘betreffende god’ [1240; Bern.], godelijc ‘godvruchtig, godsdienstig’, gotlick dranck ‘drank van een god, godendrank’ [1477; Teuth.]; vnnl. goddelijk ook ‘als van (een) god, hemels, heerlijk’, in goddelijk musijck [ca. 1650; WNT]; nnl. goddelyk wyfje [1785; WNT], ook als bw. van graad in godlijk schoon ‘uitermate mooi’ [1873; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -lijk. In het Middelnederlands is dit bn. altijd met het begrip ‘god’ verbonden en het kan ook dingen aanduiden die bij (het verblijf van) een godheid behoren. In die betekenis kan het dan ook overdrachtelijk ‘als van/voor een god’ gebruikt worden, en zelfs een (positief) bw. van graad worden. ♦ godheid zn. ‘goddelijk wezen’. Mnl. godheit ‘goddelijkheid, het wezen der godheid’, in da sine gotheit an erschein ‘waaruit zijn goddelijkheid bleek’ [1200; CG II, Servas], metonymisch ook ‘god als persoon gedacht, goddelijk wezen’ maar daar niet altijd duidelijk van te onderscheiden: wanttie Godheid bi naturen ghene pine ghedoghen mach ‘want God kan van nature geen pijn lijden’ [1321; MNW] en misschien ook al in gotheit voor Latijn deitas [1240; Bern.], ook ‘theologie, godgeleerdheid’ in meesters ... van allen consten, van der godheit alleene uutghesceiden ‘geleerden in alle wetenschappen behalve in de theologie’ [1460-80; MNW-R], docteurs inder godheit [1468-97; MNW]. Samenstelling met het achtervoegsel → -heid, oorspr. dus een abstractum dat ongeveer ‘wat de natuur van een god heeft’ betekent.
Lit.: K. Shields (1996), ‘A proposal Regarding the Etymology of the Word God ’, in: LB 85, 69-74; R.S.P. Beekes (2000), ‘God is Non-Indo-European’, in: Boutkan 2000, 27-30

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

god* [bovenmenselijk wezen] {oudnederlands got 901-1000, middelnederlands god, got} (oorspronkelijk o., maar o.i.v. het christendom m.), oudnederlands, oudhoogduits got, oudsaksisch, oudfries, oudengels god, oudnoors goð [godheid, afgod], guð [God], gotisch guþ (o.); de etymologie is onzeker, misschien verwant met oudindisch hūta- [aangeroepen], oudiers guth [stem], oudkerkslavisch zŭvati [roepen]. De uitdrukking zo waarlijk helpe mij God almachtig!, middelnederlands also helpe mi God! is een eedsformule, die oorspr. moest worden aangevuld met dat ik de waarheid spreek. De herkomst van leven als God in Frankrijk [een onbezorgd leven leiden] is niet achterhaald.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

god znw. m., mnl. god, onfrank. got, ohd. got, os. ofri. oe. god m., on. goð, guð o. m., got. guþ o. m.

Opmerkelijk is het onzijdige geslacht, dat wel het oudste zal zijn, zonder dat men daarbij te denken heeft aan een onbepaalde, althans nog niet persoonlijke goddelijke of demonische macht. Het woord werd bij de kerstening overgenomen, wat er op wijzen kan, dat het een zeer algemeen begrip was gebleven. — De etymologie is onzeker. Men stelt het gewoonlijk samen met oi. puruhūta ‘de veel aangeroepene (= Indra)’, hūta ‘uitgenodigd, aangeroepen’, hávatē ‘roept’, gr. kaucháomai ‘pralen’, oiers guth ‘stem’, arm. jaunem ‘ik wijd’, osl. zovą, zŭvati ‘roepen’, lit. žavêti, lett. zavēt ‘toveren’. Dan zou *guða dus betekenen ‘het aangeroepene’ (Osthoff BB 24, 1899, 191-9). Men zou dan kunnen denken aan een woord, dat in het offerritueel thuishoorde en de goddelijke wezens in het algemeen aanduidde; zo vervulde in de romeinse cultus de formule sive deus sive dea de rol, geen enkele godheid uit te sluiten, die toch bij de handeling betrokken zou kunnen zijn. — Voor andere, zeer onwaarschijnlijke etymologieën zij nog verwezen naar Feist, Etym. Got.Wb. 228.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

god znw., mnl. god, zelde got m. = onfr. got (d), ohd. got (nhd. gott), os. ofri. ags. (eng.) god m., on. goð, guð, got. guþ) o. m. “god”. Wsch. ospr. o. Misschien < idg. ĝhu-tó- “het aangeroepene”, deelw. van ĝhu-, waarvan (on. geyja “blaffen”?), obg. zovą, zǔvati “roepen” (ook lit. żavėti “(be)tooveren”?), oi. hávale “hij roept”: vgl. Indra’s epitheton puruhûtá- “veel aangeroepen”. Anderen leiden — onwaarschijnlijk — god, idg. *ĝhu-tó- af van idg. *ĝhu- “gieten, offeren” (zie gieten): oorspr. bet. òf “gegoten afgodsbeeld” òf “aan wien geofferd wordt”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

god. Doordat geen der voorgeslagen etymologieën overtuigt, komt men tot curiosa als de hypothese dat het woord zou ontleend zijn aan het Iraans (perz. xudâ ‘god’). Deze al veel vroeger geuite mening is opnieuw door *Sarreiter Blätter für bayr. Gymnasialwesen 55, 99 vlg. verdedigd, maar door Bartholomae Heidelberger Sitzungsberichte Philos.-hist. kl. 1920, no. 2 afdoende weerlegd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

God m., Mnl. id., Onfra. en Os. got + Ohd. got (Mhd. id., Nhd. gott), Ags. god (Eng. id.), Ofri. id., On. gud (Zw. en De. gud), Go. guþ + Skr. puruhūtas = de veel geroepene, bijnaam van Indra, van wrt. hu: Idg. wrt. ḡheṷ = aanroepen; niet verwant met goed.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gotta tw. Ook golla, gomma, gonna en gonnas, en selde gonne en gonnel.
Uitroep van skrik, ontsteltenis, verbasing of verwondering.
Eufemisties vervorm uit God. Die wisselvorme dien ter verdere versagting van die uitroep gotta. Of die Khoi verwensing t'gaunassi (1787) hiermee verband hou, is nie uit te maak nie (Nienaber 1963: 499). Eerste optekening in Afr. by Changuion (1844) in die vorm gonne.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorme gonna (1975) en gonnas (1970).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

God: voor God (op zichzelf staande uitdr.), echt waar, eerlijk waar. Blackman wil je me vertellen dat je helemaal niets hebt? - Voor God. Waarom geloof je me niet? (Vianen 1972: 77). - Etym.: Het is kort voor: Dat verklaar ik voor God. S ’foe Gado’ = id. - Zie ook: voor Jezus*.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

God, aanduiding, naam en aanspreektitel van de God van Israël en van het christendom.

De naam van de God van Israël luidde Jahweh, een naam die niet werd uitgesproken (zie Jehova). In de Nederlandse bijbelvertalingen luidt de weergave daarvan Heer (zie dat artikel). Veelvuldig spreekt men daarnaast over God, onze God, de God van Israël en vergelijkbare aanduidingen. Daarnaast zijn er namen bekend die op een bepaalde rol van God gebaseerd zijn, zoals de Herder, de Rechter, de Schepper.
In enkele gevallen bevat de bijbelse versie van een uitdrukking (ook) de Heer naast of in plaats van God. Wij hebben de vorm gekozen die in het tegenwoordige Nederlands het meest bekend is.
God wordt, in overeenstemming met bovengenoemde namen, onder meer genoemd om zijn almacht, wijsheid en zorg, zijn rol in de schepping, en het oordeel over de mens bij het einde van het leven. Aan dit gebruik ligt niet een bepaalde bijbeltekst ten grondslag.
Met het woord God hebben zich vele verbindingen gevormd. Denk aan populaire uitdrukkingen als: God op zijn blote knieën danken, van God los zijn, alles doen wat God verboden heeft, ieder voor zich en God voor ons allen, leven als God in Frankrijk, God is dood, Gods water over Gods akker laten lopen, zich storen aan God noch gebod. Meestal hangen ze wel samen met de algemene inhoud van de bijbel, maar is er geen nauwe relatie met een bijbeltekst. Het is bovendien niet uitgesloten dat soms naar een opperwezen in het algemeen verwezen wordt. Alleen gevallen met een aanwijsbare bron in of met een duidelijke overeenstemming met de bijbel hebben wij opgenomen. De meeste van de talloze heilwensen en vloeken, zoals God beware, God zal je lonen, resp. godverdomme, godallemachtig (in verwensingen komt Gods naam nauwelijks voor) laten wij buiten beschouwing. Aan het eind noemen wij enkele van de bijbelteksten die een spreekwoordkarakter dragen. Ze zijn echter geen gemeengoed buiten christelijke kringen.
Zie verder voor verbindingen met God ook onder Aangezicht, Gave, Geest, Genade, Heer, Kind, Lam, Man, Naam, Stad, Volk, Woord.

Ze keek Eva aan met de alleronschuldigste ogen die God scheppen kon. (O.J. de Landell, Ave Eva, z.j. (1946), p. 12)
Tuinieren is vechten tegen alles wat God laat groeien. (Volkskrant Magazine, 6-11-1999, p. 63)

God van Abraham, Isaak en Jakob, de God van Israël.
God de Vader, God genoemd als vader, een van de drie goddelijk personen in de Drieëenheid; (fig., verg.) zich als God gedragend figuur door wijs, vaderlijk, of, in negatieve zin, paternalistisch, machtswellustig gedrag.

In het Oude Testament benadrukt de eerste titel de continuïteit en daarmee de betrouwbaarheid en macht van de God van Israël, bijvoorbeeld in een passage waar verteld wordt hoe Mozes het volk daarvan moet overtuigen. De Heer maant Mozes met zijn staf een bepaald wonder te verrichten 'Hierdoor zullen ze geloven dat de HEER, de God van hun voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, aan jou verschenen is' (Exodus 4:5, NBV).
God de Vader is een verbinding die we aantreffen als ook van de Zoon, Jezus, sprake is, maar ook daarbuiten, en in de NBV nog maar zelden. Een voorbeeld: 'En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft' (1 Korintiërs 15:24 , NBV). Zie ook vader.

Statenvertaling (1637), Exodus 4:5. Op dat sy gelooven, dat u verschenen zy de HEERE de Godt harer vaderen, de Godt Abrahams, de Godt Isaacs, ende de Godt Jacobs.
Als er geen wijsgerige godsbewijzen meer overeind blijven, moet dan de God der filozofen zonder meer worden opgeborgen en blijft, voor wie ervoor openstaat, enkel Pascals God van Abraham, Isaak en Jacob over? (De Standaard, nov. 1995)
Liesveldtbijbel (1526), Johannes 6:27. Werckt spise, niet die daer verderft, maar die dair blijft in dat eewich leuen, welke v des menscen zoon geuen sal, want den seluen heeft god die vader besegelt.
Opoe bekleedde in huis de plaats van God de Vader, haar zoon had ze goed in de hand en haar schoondochter niet minder. (J.F. Vogelaar, De dood als meisje van acht, 1991, p. 187)
Een God de Vader voor de BRTN 'Het is een sport: schieten op de openbare omroep.' Het moet maar eens veranderen, vinden veel BRTN-medewerkers. Kan de nieuwe manager -- 'die God de Vader' -- het tij keren? (De Standaard, dec. 1995)

God is rechtvaardig; de God der wrake, wrekende God; Gods toorn, uitdrukkingen die gebezigd worden als ziekte en ongeluk als de straf van God uitgelegd worden; (fig.; niet frequent) in een vergelijking ter karakterisering van een streng persoon.

Van alle eigenschappen van God die elk op verschillende plaatsen in de bijbel genoemd worden zijn dit enkele regelmatig, in bepaalde verbindingen voorkomende karakteristieken, vaak in ironische toonzetting gebezigd. In de bijbel komen de verbindingen vooral voor met de Heer.

Statenvertaling (1637), Psalmen 11:7. Want de Heere is rechtveerdich, hij heeft gerechticheden lief; sijn aengesicht aenschouwt den oprechten.
Daar spraken zij over rond het zuinig brandende klotvuur; over de rechtvaardige, strenge God, die op alle slakjes zout legt. (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 8)
Statenvertaling (1637), Psalmen 94:1. O Godt der wraken, o HEERE, Godt der wraken, verschijnt blinckende.
En daar opeens zagen de kaaseters hem [hun vader] aan de trap staan, groot in zijn nachtgewaad, de blonde haren slordig tegen het voorhoofd. Een wrekende god. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 73)
Het onverbiddelijk lik op stuk beleid van een God der wrake dreef je al vroeg uit het gelukzalige paradijs waar goed en kwaad geen betekenis hadden. (NRC, sept. 1994)
Leuvense Bijbel (1548), Johannes 3:36. Die inden sone ghelooft, heeft dat eewich leuen, maer wie den sone niet en ghelooft, die en salt dleuen niet sien. Maer den toren Gods blijft op hem.
Het aardige is dat Denen dat ook vinden, tenminste het soort dat ik voornamelijk tegenkom in bibliotheken en universiteiten. Ze voelen zich allereerst Scandinaviër, vervallen in Gods toorn omdat zij als enigen in de Europese appel gebeten hebben. (H. Pleij, Het Nederlandse onbehagen, 1991, p. 40)
Tref de Nederlander niet in zijn portemonnee! De toorn Gods zal uw deel zijn. (NRC, 11-3-1999)

God zij dank, letterlijk of als versterking gebruikte dankzegging.
God zij geloofd (en geprezen), letterlijk of als versterking gebruikte lofprijzing.
God zij met ons, bede om Gods bijstand.

Er zijn in de geschiedenis talloze wensen met de naam van God als vaste verbinding bekend geweest. De hier genoemde verbindingen komen ook nu nog voor; de letterlijke betekenis is zoals dat bij deze categorie gaat, verbleekt. Vooral de eerste is vaak niet meer dan een uiting van opluchting. Een variant op God zij dank geeft het volgende citaat, waarin aan De Grote Zilt ironisch als goddelijke voorzieningheid naar voren wordt gebracht: 'De-Grote-Zilt-zij-dank was het slechts een oppervlakkige wond' (P. Schaap, De bruiden van Tyobar, 1992, p. 185).
De bede God zij met ons is bekend als randschrift op onze munten, te bekender nog daar zij ter discussie heeft gestaan toen onze nationale munten werden vervangen door Europese.

Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 7:25. Ic dancke god door Jesum christum onsen heere.
Dierenopassser en verzorger Annelies Spronk werkt zich in deze piekweken in het zweet. Ze heeft hulp van een aantal vrijwilligers, wat ook hard nodig is. 'God zij dank hebben we dit jaar geen gevallen van honden aan bomen'. (Meppeler Courant, aug. 1993)
Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 124:6. Ghelooft si die HEERE, dat hy ons niet tot eenen roof in haren tanden en heuet gegeuen.
Maar -- god zij geloofd en geprezen -- zover komt het niet, het evenwicht wordt op tijd hervonden. (NRC, 27-8-1999)
Liesveldtbijbel (1526), 1 Koningen 8:57. Die HERE onse God si met ons gelijc hi geweest heeft met onsen vaderen.
De rijksdaalder en de gulden hebben een gladde rand en dragen als randschrift GOD ZIJ MET ONS. (Juridisch corpus, 1967)

Door of van God gezonden(e), (fig.) begenadigd, bijzonder begaafd (persoon).
Van God (en alle mensen) verlaten, (fig.) totaal verlaten, eenzaam.

In het Johannesevangelie is het de Doper die door God gezonden is met een goddelijke missie: deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden: 'Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes' (Johannes 1:6, NBV). Buiten bijbelse context wordt de uitdrukking, al of niet ironisch, op mensen met bijzondere gaven toegepast.
Het verlaten zijn door God als uiterste vorm van eenzaamheid en wanhoop wordt verwoord in Psalmen 22:2: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten' (NBV). Deze woorden zijn vooral bekend doordat Jezus deze uitroep aan het kruis slaakte. Mogelijk zijn ze de inspiratiebron van genoemde uitdrukking. De toepassing betreft doorgaans plaatsen of streken.

Liesveldtbijbel (1526). Johannes 1:6. Daer wert een mensche van gode gesonden, die hiet Johannes.
Maar een toernooi lang, vier weken tot en met de finale onder extreme omstandigheden goed spelen, dat houdt zelfs een door god gezonden voetballer niet vol. (NRC, juni 1994)
Vergeten, zo stierf in 1919 de Hongaarse Van Gogh, de door God gezondene, die op doek en palet 'de zonneweg' weerspiegeld zag. (NRC, sept. 1994)
Liesveldtbijbel (1526), Marcus 15:34. Ende om dye negenste vre, riep Jesus luyde ende sprac, Eli, Eli, lammaasabthani, dat is vertaelt, Mijn god, Mijn god, waerom hebdi mi verlaten.
Over enkele minuten zullen ze thuis zijn en zal er verder niets meer gebeuren in dit van God verlaten dorp waar alleen gekken, vluchtelingen en de laatste vastgeroeste bejaarden wonen. (Elsinck, Biecht van een huurmoordenaar, 1992, p. 184)
Is het dan niet een letterlijk opwekkende gedachte dat op de door God en alle mensen verlaten aarde nog altijd een Don Quichot door Andalusië dwaalt en een Cathy Heathcliff over de Yorkse heide. (NRC, nov. 1994)

Naar Gods (even)beeld (en gelijkenis) geschapen, naar wezen en uiterlijk als God; (fig.) volmaakt, in fysieke of morele zin.

In deze uitdrukking, ontleend aan het scheppingsverhaal, wordt de intrigerende kwestie van de goddelijkheid van de mens tot uitdrukking gebracht. Wij lezen haar in. Genesis 1:26-27, 'God zei: "Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt." God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen' (NBV).
De variant in het volgende citaat van Vogelaar refereert aan de concrete scheppingsdaad: 'Ze deed stijfsel in de pot, roerde, kneedde en van het papier-maché boetseerde ze een pop naar Lady's beeld en gelijkenis: uit de dikke pap maakte ze een lammetje; met inkt maakte ze het aan het lachen' (J.F. Vogelaar, De dood als meisje van acht, 1991, p. 247). Boon (zie hieronder) creëert, bedoeld of onbedoeld, een omkering met vergaande theologische implicaties.

Statenvertaling (1637), Genesis 1:27. Ende Godt schiep den Mensche nae sijnen beelde, nae den beelde Godts schiep hy hem: Man ende Wijf schiep hyse.
Ook zij [hoogleraar Fresco, die zich optimistisch heeft uitgelaten over de toekomst] zal vandaag toch moeten toegeven dat de mens allesbehalve naar gods evenbeeld geschapen is? (NRC, 4-12-1998, p. 24)
Voorlopig heeft hij [de mens] zich een god naar zijn evenbeeld geschapen, voorlopig heeft hij wat aan kunst en wetenschap gedaan, voorlopig heeft hij zich een philosophie bedacht, en voorlopig heeft hij zich het masker van een moraal voor het gelaat gebonden... ondertussen speelt hij ook een beetje met vuur, splitst hij ook een beetje atomen. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 679)

Bij de gratie Gods, door Gods genade; bekend als toevoeging bij een vorstelijke titel. (Zie ook Genade.)

Deze historische formule, naar Middeleeuws-Latijn Dei gratia, drukt uit dat een vorst zijn autoriteit rechtstreeks aan Gods gunst ontleent. Het Nederlands kent de formule vooral uit wetsteksten waarin de vorst (vanaf 1813, toen het Koninkrijk der Nederlanden ontstond) of de vorstin (vanaf 1898) zich bekend maakt. In het Oude Testament is de verlening van vorstelijk gezag door God een veelvuldig voorkomende situatie. De formule genade Gods (gratie is de op het Latijn en Frans geënte vorm die in oudere taalfasen gebruikelijk was) wordt echter in het Nieuwe Testament, met name bij Paulus, althans in de oudere vertalingen, gevonden met betrekking tot de geestelijke staat waarin hij verkeert.

Statenvertaling (1637), 1 Korintiërs 15:10. Doch door de genade Godts ben ick dat ick ben.
WET van 2 juli 1980, Stb. 385, houdende regelen omtrent een eenmalige uitkering aan bepaalde Molukse gewezen KNIL-militairen en hun weduwen ter zake van over de periode 1 mei 1956 tot 1 januari 1964 gederfd pensioen Wij BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten [...]. (Juridisch corpus,1980)

Gods hand, God macht, invloed, genoemd als oorzaak van vooral ellendige gebeurtenissen in iemands leven.
In Gods hand, door God te bepalen (van gebeurtenissen); door God beschermd (van personen).
Gods rechterhand, Gods macht, vooral genoemd als goedheid of rechtvaardigheid manifest is.

Metonymische betekenissen zoals Gods hand voor 'Gods daden' 'God in zijn daden' zijn heel gebruikelijk in de bijbel. De hand van God wordt dikwijls als de straffende hand genoemd, zoals in Exodus 9:3: Is men in Gods hand, dan kan dit integendeel ook bescherming uitdrukken. 'Wij zijn in Gods hand, met alles wat we zeggen, met al ons inzicht en al onze kundigheid' (Wijsheid 7:16, NBV). De rechterhand wordt in de traditie als de meest aanzienlijke hand gezien; zo ook als Gods rechterhand wordt genoemd als God zijn goedheid en rechtvaardigheid toont.

Liesveldtbijbel (1526), Exodus 9:3. So sal die hant des HEREN op v vee inden velden, op peert ezel, kemel, ossen ende scapen zijn, met een zwaer pestilencie.
Lijden heeft zijn zin verloren en in ziekten en epidemieën is de hand van God niet langer zichtbaar. (NRC, 22-10-1999)
Laat ons niet vervallen in haat en wraak, dat heeft geen zin. Wij moeten dragen en verdragen, de hand van God treft ons allen. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 60)
Statenvertaling (1637), Prediker 9:1. Sekerlick dit alles hebbe ick in mijn herte gelecht, op dat ick dit al claerlick mochte verstaen; dat de rechtveerdige, ende de wijse, ende hare wercken, in de hant Godes zijn.
Ze nam het leven niet licht op en ze voelde zich dikwijls in de hand van God. (T. Hilberink, Cycli. Geschiedenis van de familie Burger (1840-1945), 1992, p. 30)
Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 118:16. Die rechte hant des Heren es verhoget Die rechter hant des Heren bewijset stercheit.
De zee geeft de doden die in haar waren, / God weegt de ziel nog in zijn rechterhand, / en $t water spuugt alweer de lege huls op $t strand. (J.B. Charles, De gedichten tot 1963, 1963, p. 20.)
[Kampioensfeest Feyenoord in Rotterdam:] Er was voor altijd vrede op aarde, de Coolsingel was onze tuin van Eden en Ulrich van Gobbel zag er als Gods rechterhand op toe dat het ons aan niets zou ontbreken. (NRC, 26-4-1999, p. 22)

In Gods naam, in godsnaam, vanwege, in naam van God; versterkende of bezwerende formule.
God weet, bevestigingsformule; formule ter uitdrukking van onbepaaldheid.

Veelvuldig wordt in de bijbel de naam van God genoemd waar 'God' bedoeld is, dus als een formule die afstand en respect uitdrukt. Net als bijvoorbeeld om Gods wil en God weet is in Gods naam veelal tot versterkende formule geworden en heeft de uitdrukking de letterlijke betekenis als in het volgende bijbelvers verloren: 'Laat ons juichen om uw overwinning, het vaandel heffen, in de naam van onze God. Moge de HEER al uw wensen vervullen' (Psalmen 20:6, NBV).
De alwetende God wordt door Paulus naar voren gehaald als hij het zelf niet zeker weet 'In zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen' (2 Korintiërs 12:2, NBV). Ook nu wordt de formule God weet vooral aangehaald om te zeggen, dat God het weet, maar de spreker zelf allerminst, dus dat het om onzekere feiten, niet te bepalen hoeveelheden enz. gaat.

Rijmbijbel (1271), v. 13078-82. Van danen ghinc hi [de profeet Elia] in bethel. / Dar spotten met hem ende maecten spel. / Kinder .xl. ende .ij. nochtan. / Ende seiden clem vp calu man. Doe vloectise in gods namen. (Vandaar ging hij naar Betel. Daar bespotten 42 kinderen hem en staken de draak met hem, en zeiden: klimmen, kaalkop! Toen vervloekte hij hen in Gods naam.)
Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 20:6. Wi willen van uwer salicheit beroemen ende inden name ons Gods baniere opwerpen.
[Over het tv-programma Big Brother:] In VPRO's Het Blauwe Licht wrong Stephan Sanders zich in alle bochten om in godsnaam maar een intellectuele legitimatie voor zijn kijklust te vinden. (Volkskrant Magazine, 23-10-1999, p. 15)
Liesveldtbijbel (1526), 2 Korintiërs 12:2. God weet, die selue werdt op ghetrocken tot inden derden hemel.
Hij dacht aan Greenpeace en aan de zeehonden. God weet wat je allemaal bij elkaar dacht. En hij vond het jammer dat ze hem niet gevraagd had wat hij dacht toen hij aan die lijken dacht. (J.J. Voskuil, En ook weemoedigheid. (Het Bureau 5), 1999, p. 276)

Gods rechterstoel, de zetel van waaruit God rechtspreekt, met name bij het oordeel na de dood.

God als rechter is een bekende bijbelse voorstelling; bij Paulus wordt gesproken over de rechterstoel Gods (in de Statenvertaling (1637): van Christus), zoals in deze uitspraak die mensen opwekt niet te gemakkelijk over anderen te oordelen omdat iedereen tenslotte aan het oordeel van God onderworpen zal worden: 'Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op uw broeder of zuster? Wij zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan' (Romeinen 14:10, NBV).

Leuvense Bijbel (1548), Romeinen 14:10. Want wy sullen alle staen voer Christus rechterstoel.
Zal de Schepper vanaf de Rechterstoel alleen maar Zijn bezwaren tegen jouw levenswandel opsommen? Of zal Hij ook nog vragen of jij op jouw beurt een enkel bedenkinkje hebt tegen Zijn schepping? (De Volkskrant, 14-8-1999, p. 15)

Gods rijk of koninkrijk op aarde, de ideale toestand waarin de ware gelovige leeft.

Met het Koninkrijk van God wordt in het Nieuwe Testament die toestand aangeduid waarin Gods heerschappij geldt, en die ieder in het vooruitzicht wordt gesteld die gelooft en daarnaar handelt. Dit rijk is op aarde al te realiseren; vaak ook is het een equivalent voor hemel, zie bijvoorbeeld de woorden van Jezus in Marcus 9:47: 'En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden' (NBV).

Statenvertaling (1637), Marcus 9:47. Ende indien uwe ooge u ergert, werptse uyt: het is u beter maer een ooge hebbende in het Coninckrijck Godts in te gaen, dan twee oogen hebbende in het helsche vyer geworpen te worden.
Vader [die dominee was] schaakte in Zaandam bij de plaatselijke vereniging. Op de vaste clubavond was hij dikwijls verhinderd vanwege vergaderingen en andere besognes die Gods Rijk op aarde dichterbij moesten brengen. (F. de Jonge, Het Damestasje, 1987, p. 94-95)

Godvrezend, vervuld van eerbied voor God; gelovig, vroom.

Vrezen heeft hier de verouderde betekenis 'ontzag hebben voor'.

Liesveldtbijbel (1526), Job 1:1. Dye selue dye was slecht ende recht, God vreesende, ende mide dat quaet.
Gedurende de reis ergert de kardinaal zich aan het grove taalgebruik der zeelieden. Hij doet zijn beklag bij de kapitein, die zich onmiddellijk verontschuldigt door te zeggen dat deze hardwerkende zeemannen in wezen zeer vrome, welhaast Godvrezende katholieken zijn. (Playboy, 1992, nr. 9)

Wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet, uitspraak over de onverbrekelijk geachte band tussen echtgenoten, dus tegen echtscheiding.

De evangelisten Matteüs en Marcus citeren deze uitspraak van Jezus als antwoord op een vraag van de Farizeeën naar de legitimiteit van het wegzenden van zijn vrouw door een man. Jezus refereert aan de schepping van de mens 'als man en vrouw', en vervolgt: 'Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet' (Matteüs 19:6, NBG-vertaling; de NBV zegt het wat alledaagser: 'Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden'). Het citaat wordt nogal eens gehoord bij huwelijkssluitingen.

Statenvertaling (1637), Marcus 10:9. 'Tgene dan Godt te samen gevoeght heeft, en scheyde de mensche niet.
Trouwe kerkgangers scheiden gemiddeld minder. Voor hen geldt nog: ,,Hetgeen dat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet." (Mattheüs XIX,5) (NRC, juli 1994)

Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? uiting van Godsvertrouwen.

Dit is een bekend citaat uit Romeinen 8:31. Paulus geeft een verhandeling over wat de gelovigen kunnen verwachten. Hij vervolgt: 'Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?' (NBV). De dichtregels van Charles (zie het citaat hieronder) variëren op deze tekst.

Statenvertaling (1637), Romeinen 8:31. So Godt voor ons is, wie sal tegen ons zijn?
We zullen het er maar op wagen met die auto. Tenslotte, als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn. (Gehoord, jaren '60.)
Daar treedt de stoet de straten over, men juicht: de zon is voor ons, wie zal tegen wezen? (J.B. Charles, De gedichten tot 1963, 1963, p. 115)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

God ‘opperwezen’ (bet. van Latijn deus); (er is maar één -- en Mohammed is zijn profeet) (vert. van Arabisch lā ilāha illā llāhu wa-muḥammadun rasūlu llāhi); (mindere -en) (vert. van Latijn minores dii)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

gans (1). In een aantal zeventiende-eeuwse teksten komen de bastaardvloeken o, och (lieve) bloed van gansen c.q. gensen en o ganse bloet voor. Dit zijn verbasteringen van een verbastering. Uitgangspunt is o, och bloed van God. Om de vloek iedere hardheid te ontnemen, werd de verbastering van God in gans geneutraliseerd door gans als een vogelnaam te laten fungeren. Dit gebeurde wel vaker. Men kon ook zweren bij het bloed van slakken en varkens. → bok, das, haas, hond, kat, kieviet, koe, koekoek, konijn, kraai, muis, slak, varken, vink, wolf.

gans (2). Het is een opzettelijke verbastering van de tweede naamval van God, met als varianten gancx, gansch, gantsch, gands, gants en gangs, die als bepaling bij een volgend zelfstandig naamwoord wordt gebruikt. Met dat zelfstandig naamwoord vormt het een bastaardvloek en uitroep. Het komt vooral voor in de volkstaal van de 17de en 18de eeuw, vooral in de oude kluchtspelen. Met dit soort woordverdraaiingen wil de vloeker de schijn van zonde of ruwheid afweren, als hem heilige of ruwe woorden in de mond komen. Nu geheel verouderd.
De meeste vloeken waarin gans of gansch voorkomt, doelen op het lijden en sterven van Jezus, naar middeleeuwse kerkbegrippen door de naam van God aangeduid. Vaak zijn de vloeken met gans en varianten ontleend aan de eredienst en daarmee in verband staande heilige zaken, soms zijn ze echter opzettelijk tot in het onherkenbare verdraaid of met spottende toevoegsels uitgebreid. Niet altijd is de verklaring ervan met zekerheid te geven: volksluim en dartele scherts hadden vrij spel.
Aan de vermelde uitroepen, waarvan hier de meest gebruikelijke volgen, wordt vaak het voorzetsel bij toegevoegd, doch zonder wijziging van de zin. Men zei onverschillig gans bloed! of bij gans bloed! of help gans enz. Dit alles volgens het WNT. Wij noteerden o.a. de volgende formules met gans: o ganse bloet, bij gans bloed!; gans bloemerharten!; gans dood!; bij gans eleweken!; bij gans kraft!; gans sakkerlijsjes!; gans velten!; bij gans vier!; gans wolven!; gans darmen!; gans hart!; gans hersenbekken; bij gans crage; bij gans longen; bij gans lijf; bij gans ogen; gans planken; gans tanden; gans mierrentant; gans draeckentant; bij gans tenen; bij gans stuyten; bij gans vlees; bij gans voeten; gans sakker sinnen; bij gans bokke bloed; bij gans bloemen; bij gans blommen; bij gans bloement herte, gans blommerharten, blommerhart; gans bloemerharten, blommerhert, blommenherten, blommerhelten; gans wonden, swongden, swongen; gans wonnen; gans honden; gans hondert; gans hondert gulden; gans vijven; gans vijf menten, kronen; bij gans bulten; bij gans zweten; bij gans roepen; bij gans kruis; bij gans kruiken; gans potten en platielen; gans bier en brood; bij gans bieren; bij gans briefken. Voor verdere informatie over de hier met gans gecombineerde formules zie men de afzonderlijke trefwoorden.

git. Oudere, nauwelijks nog als zodanig herkende verbastering van God. In bepaalde dialectgebieden komt de ontronde variant nog voor, meestal voorafgegaan door ach. Als uitroep en tussenwerpsel drukt git milde verbazing, medelijden e.d. uit.

pot (1). Bastaardvloek voor God. Vaak wordt aan pot de genitief-s toegevoegd, bijvoorbeeld in de formule bij pots mauzen. Andere bastaardvloeken met pots zijn, zonder uitputtend te willen zijn: pots felten; pots longeren; pots hezen katten bloet; pots kool met krenten; pots pampelmoes; pots pokken; pots puister; pots wonden wongt; pots duizend pocken; pots honderd slapprementen; pots tausend; pots zellement; pots honderd twyntig luyster. In het hedendaags Nederlands komt ook de bastaardvloek potje met peren voor. Potje is de verkleinde vorm van pot, de verbastering van God. Met peren is een uitbreiding van potje. De vloek heeft zijn choquerende kracht hier geheel verloren. In mijn enquêtemateriaal vond ik voor Rheden potje vermoordt de kat, alleluja! Natuurlijk hebben wij hier te maken met een bastaardvloek van godverdomme. De poging om de doffe, ploffende klanken van de oorspronkelijke vloek te bewaren is minder geslaagd, en ook het ritme van de verbastering verloopt wat hakkerig. Het is een vloek die verwondering, ongeloof e.d. uitdrukt. → kruis.

God. In christelijke landen als Nederland of België lijkt men wel eens te vergeten dat er ook een ander godsbesef mogelijk is. Gelukkig zijn er woordenboeken die de moedertaalsprekers van het Nederlands weer naar de werkelijkheid terugvoeren. God wordt daarin dan gedefinieerd als godheid. Schrijvers van woordenboeken voegen daaraan wel de mededeling toe, dat dit de betekenis is die het woord god heeft bij ‘de heidense volkeren’.
Een godheid is dan meestal de verpersoonlijking van een verschijnsel of een kracht in de natuur, of wordt gedacht als het daarin wonend, bezielend beginsel ervan. Later stelde men die godheid buiten en boven de natuur en werd zij beschouwd als beheerser van een gebied van de natuur of wel van het heelal.
In het Oude Testament en in de taal van de bijbel heeft God als betekenis ‘de enige ware God van Israël’. Overigens gebruikt het joodse volk het woord God ook als aanduiding voor door heidense volkeren aanbeden godheden die door de joden niet als denkbeeldig beschouwd worden, maar als werkelijk naast Jehova bestaande hogere wezens worden erkend. Maar natuurlijk zijn en blijven het voor hen valse godheden, afgoden, leugengoden. In de godsdienst der joden en christenen en in hun heilige geschriften is God de naam voor het Opperwezen.
Voor ons is belangrijk te laten zien hoe God in zegenbeden, verwensingen, vloeken enz., oorspronkelijk in vrome taal met rechtstreekse gedachte aan God ontstaan, door veelvuldig gebruik in informele taal in zeer verzwakte toepassing wordt gebruikt.
Uit het Vroegmiddelnederlands, bijvoorbeeld uit Jacob van Maerlants Rijmbijbel, noteren wij de formule (zweren) bi al haren goden. In Gent [1236] heet het die bi gode of bi den helegen dorperliken eed suerd ‘degene die bij God of bij de heiligen een schandelijke eed zweert’.
In de Middeleeuwen komen de volgende eedformules voor: (al)so helpe mi God ‘zo waarlijk helpe mij de almachtige God’; wet(e) God ‘God weet dat ik de waarheid spreek’; god wouts ‘als God het wil’; so helpi mi God die u gheboot ‘zo waarlijk helpe mij de almachtige God die u heeft geschapen’; also helpi mi god van paradise ‘zo waarlijk helpe mij de almachtige God van het paradijs’; so wairlic help mi God ‘zo waar helpe mij God’; so moet mi God helpen ‘waarlijk, moge God mij helpen’; dat mij god so helpe ‘moge God mij helpen’. Voorts: dor Gode; dor God genade; durg got; God hebs deel, Gods heb deel ‘God zij gedankt’. En als verwensing noteerde ik: soe moet mi God scinden, god moet mi scenden ‘God moge mij in het verderf storten (als ik de waarheid niet spreek)’. De Baere (1940: 80) tekent hierbij aan: “De uitdrukking so helpe mi God is sedert keizer Justinianus de verplichte gerechtelijke formule geworden, komt alleen in litteraire teksten en ambtelijke bescheiden voor en is, wellicht juist wegens haar plechtige karakter, niet tot de volkstaal doorgedrongen.” Hiermee is de opsomming van Middelnederlandse eden niet voltooid. In de nu volgende werd een beroep gedaan op Christus, de Zoon van God: bi Gode van Nazarene ‘bij Jezus van Nazaret’; bi Gode (‘Jezus’) ende vrouwe (‘Maria’); bi Gode ende onser soeter vrouwen ‘bij Jezus en Onze-Lieve-Vrouw’ en bi Gode die hem crucen liet ‘bij Jezus die zich kruisigen liet’.
De woordgroepen o goden, grote goden fungeerden oorspronkelijk in gebeden. De betekenis ervan zwakte af en het gevolg was dat de verbinding als een emotionele uitroep ging fungeren om verontwaardiging, ongeduld, wrevel, wanhoop enz. uit te drukken.
De verbinding bij god was oorspronkelijk een zegswijze ter bekrachtiging van de waarheid; een eed waarmee men God als getuige, of als wreker van de meineed aanriep. Later wordt zij door ijdel gebruik ook als vloek gebezigd. Bi gode, bij God komt voor als bepaling bij zweren, bezweren, verzekeren enz., hetzij absoluut, hetzij als uitroep. Couperus gebruikt in Eline Vere de volgende zin: “Ik verzeker je, dat ze je lief heeft. Ik verzeker het, bij God.” Qua betekenis heeft het zoiets als ‘verdomd als het niet waar is’. Dezelfde functie hebben bij God almachtig, bij mijn Heer en mijn God, bij God de Heer, bij God en al zijn heiligen.
In het Middelnederlands komen eveneens voor: by Godt die Heere; bi mijnen God; bi Gode van Paradise; bi Gode onsen gerechten vader ‘bij God onze rechtvaardige Vader’; bi Gode die mi geboet ‘bij God die mij heeft geschapen’; bi Gode ende Sinte Dionys; bi den God die mi doet leven; bi Gode ende biden goeden daghe ‘bij God en bij diens gunsten’; bi Gods mogenthede. Als verzachte eufemistische vormen komen voor by gat, bi get, beget, het(s), ets, igo, igoy, ijgo, igod, by gommen, begomme, begod, begort, begot, begudts, begut, by goudt, by gort, ygo(ey), y got, ygort, ygut. De bastaardvloek iloo is een contaminatie van bilo en igo.
In het Middelnederlands bestaat reeds de eedformule bij Gods onde of bi Gods jonste/jonde ‘bij de genade of bij de liefde van God’. Hoewel dit in onze oren tamelijk tam en lam klinkt, kan men zich voorstellen dat ijdel gebruik van zo’n formule tot een vloek en uitroep kan leiden. → genade, wond.
In verwensingen of ironisch getinte heilwensen wordt God zeer dikwijls gebruikt om een bewering of in het algemeen een uiting als bij ede te bekrachtigen. De eigenlijke betekenis ervan is ‘God moge mij verdoemen indien wat ik zeg niet waar is’. Deze toepassing zien wij in zelfverwensingen als God mag mij straffen als ... niet, God straffe mij, indien het niet zo is, in God zal me, je kraken, maar vooral in God (ver)doeme mij. God zal me zegenen, dat opgegeven werd voor het Oost-Vlaamse Assenede, betekent oorspronkelijk ‘Moge God mij zegenen’. Als bastaardvloek fungeert zij om verbazing, verontwaardiging enz. uit te drukken. Overigens komt in de Middeleeuwen al een verwensing voor als God gheve ulieden alle de pestilencie ‘moge God jullie allemaal met de pest straffen’.
God ontmoeten wij in het hedendaagse Nederlands zeer vaak in taaluitingen die verschillende plotselinge of hevige emoties willen weergeven. Eigenlijk is het woord dan al tot tussenwerpsel geworden. Vaak wordt zo’n uitroep vergezeld door een bijvoeglijk naamwoord of door andere bepalingen. In de woordenboeken vinden wij bij God!; (e) God!; o God!; och god!; (och) Heer God; (wel) god al(le)machtig; (mijn) lieve God; (mijn) goeie God; mijn God (nog aan toe); God in den Hemel; God in Den Haag; God alle joden; o goden; grote, goede goden. Vroeger, in de 19de eeuw, ook: rijk God!; help God! In het zuiden van het taalgebied komen nog voor: Och God toch!; God van de hoge hemel!; God hemelse deugd!; Jezus God! Jezus God toch! Deze laatste staan ongeveer gelijk met lieve hemel, alle goede geesten.
Uit mijn materiaal kan ik aan deze uitroepen de volgende toevoegen: ach God, ach mijn God, alle goden, God alle Jezus, God amaai, God bewaar me; God, God gloeiende koffiebonen; God den Here (toch), God gloeiende; God God; God en Here; God Jezus; God nog aan toe; God och God, Godallemense; Godlievejezus; God God verd.; God hier en ginder; God sakker; God verbiedt het vloeken; Godschristus; Godsallehere; lieve God; o(h) God; o grote God; o lieve God in de hemel; o(h) mijn God; och Gottenheer; God lieven Heer. De ernst, dan wel het kaliber van de vloek, blijkt uit het tautologisch karakter ervan, uit de herhaling van dezelfde, dan wel van een andere daaraan vastgekoppelde vloek. Hier dus God, Jezus, Christus, Heer. De functie van de meeste is het tot uitdrukking brengen van verontwaardiging, frustratie, irritatie, ongeloof, verwondering enz.
God wordt eveneens gebruikt in verkorte en versterkende vloeken. Zo noteerde ik o.a. god gloeiende, waar waarschijnlijk godverdomme, mieljaar of nondeju is onderdrukt. Als versterking wordt het woord gebruikt in: godgodgodnondemieljaar(de), godgodgodverdomme, godgodnondeju; godgodsakkernondeju, godgodverdegodgloeiende godverdomme, god god god gloeiende gloeiende koffiebonen waarin koffiebonen een substitutievloek is, en in godsakker, god(s)klere, godmieljaar(de), godmieljaardeju, godmieljaardemieljaar, godmielleju, godnondegodsakkernondeju, godnondeju, godsakkerdenakendegodnondju, godsakkernondeju, godsodenondeju, godvlammedeju.
Bastaardvloeken en uitroepen gevormd van God zijn talloos. Zij worden gebruikt als nadrukkelijke bevestiging en ook om lucht te geven aan allerlei emoties. Een omtrekkende vloekbeweging zien wij in god ... verbiedt het vloeken. Niet misselijk en van een hoge explosiviteit zijn ook de verwensingen god zal de klere krijgen ‘God moet de cholera krijgen’; god zal je vergodverdomme ‘God moet je vervloeken’.
In de 16de en 17de eeuw komen veel oorsponkelijke eedformules voor als vloeken en uitroepen. Vaak in verbasterde vorm en als lijdensvloeken. Deze oorspronkelijk godslasteringen worden zeer vaak ingeleid door het voorzetsel bij, zoals uit de volgende voorbeelden moge blijken: bij God(e); bij Gods baard; bij (Gods) billen; bij Gods haar; bij Gods hart; bij Gods hersenbekken; bij Gods hoofd; bij Gods kinnebak; bij Gods kraag; bij (Gods) lanke; bij Gods lever; bij Gods longen; bij Gods lijf; bij Gods ogen; bij Gods pensen; bij Gods ribben; bij de strot van God; bij de tanden van God; bij Gods tenen; bij Gods tuiten; bij Gods vellen; bij Gods vlees; bij Gods voeten; bij Gods zuinen. In dit lexicon worden deze zogenaamde lijdensvloeken behandeld op het woord dat de kern is van de zelfstandig-naamwoordgroep. Meestal is dat het woord dat op God volgt of aan God voorafgaat. → godver, Heer, Maria.

gompie. Substitutievloek voor God. Verbastering en verzachting van jemeni, dit laatste door het -ie suffix. In ons enquêtemateriaal komt ook gompiedompie voor, een bastaardvloek en uitroep waaraan ieder taboe vreemd is. Misschien behoort dit woord tot het vloeklexicon van kinderen. Feit is in elk geval dat er vroeger een televisieprogramma was waarin een walvis, Gompie genaamd, telkens gompie zei. Enige tijd is gompie (vandaar) populair geweest. Gompie trad op met een mens, ‘vader man’. Een gevleugeld woord werd “Gompie, papa, mag ik een knuffeltje?”

gooi (1), gooiken. Verbastering van God. Nauwelijks nog als vloek aangevoeld. Als interjectie drukt de term ongeloof en ingehouden frustratie uit. Gooiken is een smadelijke verkleinvorm voor God. Door de geuzen gebruikt in schimpende toepassing op de h. hostie in de r-k. eredienst. Bij gooiken drukt irritatie uit als het fungeert als uitroep. Ook goy.

gort (1), gord(t). Bastaardvloek die een vervorming van God behelst. In de 19de eeuw komt de variant mijn gorretje! voor, die natuurlijk een verbastering is van mijn God! Thans nog gebruikt als uitroep van deernis of verbazing. Vaak is het, voorafgegaan door ach, ook een uitroep voor allerlei soorten irritatie. → sacrament.

gort (2). In ons enquêtemateriaal komt de vileine verbastering gloeiende gloeiende gort met stroop voor. Voorts worden enige verkruimelde vloeken opgegeven van het type gort voor domme kippen, gort voor Dongen; gort voor de dommen, rijst voor de wijzen; honderd zakken gort voor de nonnen. Inez van Eijk (1995: 65) geeft op de vraag Kees is Chris thuis! als antwoord Hij is gort voor de domme kippen halen. Zij ziet in het eerste deel hiervan een verbastering van Jezus Christus. Drs. Hein Seegers uit Oosterhout (N-Br) meldde mij op 18 juni 1997 het volgende: “Met plezier las ik over de honderd zakken gort die mijn vader tot ongenoegen van mijn moeder voor de nonnen bestemde en waaraan hij steeds om zijn agrarische afkomst niet te verloochenen ju perd toevoegde. Over dat ju maakte zij zich nooit druk.” Het is duidelijk dat met dat ju perd bedoeld wordt ‘godverdomme, paard’. In al deze verbasteringen wordt gespeeld met de betekenis van gort. Oorspronkelijk was het een verbastering van God en vervolgens werd het opgevat als ‘gepelde gerst’, waardoor er afwisseling en contrast mogelijk werd met rijst. Er kan geen twijfel bestaan aan het feit dat wij te maken hebben met eufemiseringen van godverdomme. De emoties die de verbasteringen uitdrukken zijn verbazing, ongeloof, lichte irritatie e.d. → honderd, non, zak.
gortling: verdere verbastering van gort. Slechts incidenteel aangetroffen in de 17de eeuw en dan meestal voorafgegaan door o. Zo bijvoorbeeld bij Bredero, waar wij in Griane de uitdrukking o gortelingen tegenkomen. Ook bij gortling komt voor.

gos. Bastaardvloek die een vervorming van God behelst en thans alleen nog als tussenwerpsel en milde uitroep van verbazing gebruikt wordt. Als verkleiningsvormen komen voor godsie en gossie. Hoppenbrouwers (1991) zegt van gossie dat het gebruik ervan bij jongeren lijkt af te nemen. Hoe dan ook, het is geen vloek die een permanente staat van opwinding verraadt.

goud(t). Deze varianten van God worden gebruikt in de eedformule bij goud(t), die in elk geval is overgeleverd in Beroyde Student [1646] van J. Noozeman. Daarna schijnen zij de kraaienmars te hebben geblazen. → God.

grut. Verbastering van gort. Ook komen nog steeds voor och grut, grut nog toe, och lieve grutje, goeie grutten en grote grutten. Grutten staat hier voor goden. Als uitroep drukt de term ongeloof, verbazing, maar ook geprikkeldheid uit. → God.

poets. Bastaardvloek die een vervorming is van God en die zich heeft ontwikkeld tot een uitroep van verbazing, ergernis, verwondering. Na de 17de eeuw verouderd.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

God (Got. Guth) van den Idg. wt. ghu = aanroepen, (zie Verguizen), zoodat God oorspr. bet.: het aangeroepen Wezen. Anderen denken aan ’t Skr. hu = offeren; Skr. huta = aan wien geofferd wordt. – In Godsvrucht is ’t tweede lid: vrees, ontzag, dat nog in ’t Mnl. voorkomt: „Ic vrucht si riden in hare doot” (zij rijden hun dood tegemoet). „Een goet rudder, Gode vruchtende.” (Vgl. ’t Hgd. Furcht = vrees.) Bilderdijk en Da Costa spreken ook van godsvrees.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

god ‘bovenmenselijk wezen’ -> Frans dialect † par la vertu goy ‘een vloek’; Chinees-Maleis Khot ‘God’; Negerhollands god, got, godt ‘bovenmenselijk wezen’; Sranantongo gado ‘bovenmenselijk wezen’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

hoe God verdween uit … [uitdrukking] (1996). De schrijver Geert Mak (1946) publiceert in 1996 het boek Hoe God verdween uit Jorwerd. De titel wordt spreekwoordelijk, waarbij op de plek van Jorwerd van alles ingevuld kan worden.
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten [gevleugeld woord] (1886). Dichter Willem Kloos (1859-1938) publiceert in 1886 zijn gedicht ‘Sonnet’, waaruit de beginregel “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten” gevleugeld is geworden. Andere bekende regels van Willem Kloos zijn “Ik ween om bloemen in den knop gebroken” en “De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining”.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

god* bovenmenselijk wezen 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

892. Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!

eene formule, die gebezigd werd tot krachtige betuiging of plechtige verzekering van de waarheid; thans vooral bij het afleggen van een eed. In het middelnederlandsch also helpe mi God! namelijk, dat ik de waarheid spreke, zooals blijkt uit eene mlat. eedsformule sic (illum) Deus adjuvet.... ut veritatem dicat. Zie hiervoor Ndl. Wdb. V, 221; VI, 531; Mnl. Wdb. III, 313.

706. Leven als God in Frankrijk,

d.w.z. een gemakkelijk, onbezorgd leven leiden; hier en daar in Zuid-Nederland ook: geen godsdienstplichten kennen; in het hd. leben wie der liebe Gott in Frankreich. De verklaring van deze zegswijze, die in het Fransch onbekend isMen zegt aldaar vivre comme le roi d'Yvetot., kan niet met zekerheid gegeven worden. Sommigen denken aan het feit, dat gedurende 1792-1794 in Frankrijk de dienst van God was afgeschaft en vervangen door dien der rede, zoodat God als 't ware niets meer in Frankrijk te doen had.Vgl. Limb hij wordt geëerd als God in Frankrijk (slecht ontvangen of bemind worden); 't Daghet XII, 126. Zie Borchardt no. 461; Harrebomée I, 195; III, CXLVII; Joos, 23; Waasch Idiot. 396; De Cock1, 275; Volkskunde, XIII, 161 en XV, 26, waar verwezen wordt naar het fr. tijdschrift Mélusine VII, 192, alwaar H. Gaidoz zegt naar aanleiding van Heine's schrijven ‘man lebt in lauter Lust und Plaisir so recht wie Gott in Frankreich’: ‘si elle (l'expression) n'est pas plus ancienne que Henri Heine, on peut y voir une image inventée par Heine pour comparer la vie plantureuse, la bonne chère et le contentement de vivre qu'il trouvait en France au pain noir, à l'eau claire et à la vie resserrée qu'on menait dans la pauvre et sévère Allemagne du Nord. Heine, qui s'appelait luimême un “Prussien libéré” trouvait que la France était un vrai paradis et il exprimait ce jugement dans une image poétique: et l'image a fait fortune.’ Dat de uitdr. evenwel ouder is dan Heine (geb. 1797), blijkt uit een brief van Betje Wolff, anno 1771: O dan meene ik te leeven als de goden in Vrankrijk en geene placaten te respecteeren dan die mijner hupsche Zeeuwen dat is: Wij stooren ons aan geene gekken.Zie Tijdschrift XX, 220.. Bij Schuermans, Bijv. 102 vinden we ook leven lijk God in Saksen, dat al evenmin duidelijk is. In het Friesch libje as God yn Frankrijk; Eckart, 163: Er is so glücklich als Gott in Frankreich. Vgl. ook Wander II, 1860: E lieuwt wä äser Häregott ä Paris. Dea lebt wia God in Frongraich; Eckart, 317: Hei liewet os de leiwe Hêr in Frankreik. (Aanv.) Voeg bij comme un coq en pâte.

707. God beter' 't,

een vloek, die oorspronkelijk als vrome wensch gebruikt is bij de vermelding van eene ramp of een tegenspoed in den zin van God betere het, God herstelle, vergoede het; later als uitroep van verontwaardiging en eindelijk als een soort vloek, somtijds zonder eenige beteekenis, gebezigd, evenals God helpe me, Godhelp, God beware me (eng. (God) bless me, (God) save the mark), God(ver)domme (eig. God verdoeme mij, als het niet waar is, wat ik zeg), God zal me krakepitten, en dergelijke. Zie Ndl. Wdb. V, 224 vlgg. en voor Zuid-Nederland Teirl. 508. Andere synoniemen zijn God zal me een schaap geven (in Kunstl. 2; 5); God zal me 'n vrachie geven (in Kunstl. 4), zal me kraken, stompen (in Nkr. X, 29 Jan. p. 8). (Aanv.) Voeg bij groote Grietje in de Rapenkelder; vgl. Handelsblad, 6 Juli 1924 (O) p. 1 k. 1: Ik heb een brave schoonmaakster gekend, die tot haar lijfvloek had: Wel groote Grietje in de rapenkelder; zeker een heel onschuldige uitdrukking, alleen maar wat omslachtig. Zie Ndl. Wdb. V, 698: Griet! groote Griet, een opzettelijke misvorming van het woord God.

899. Ten hemel schreien,

veelal in de uitdr. dat schreit (ook schreeuwt, roept) ten hemel, d.i.: dat eischt wraak van God, dat roept luide om wraak, gezegd van misdaden of zeer onrechtvaardige handelingen. De uitdr. is ontleend aan den Bijbel, waar meermalen, vooral in het Oude Testament, vermeld wordt, dat ‘iemands misdaad of liever het door hem aangerichte kwaad om wraak roept tot God’. Vgl. Genesis IV, 10: Ende Hy seyde: Wat hebt ghy gedaen? daer is een stemme des bloets uwes broeders dat tot my roept van den aerdbodem; Jacobus V, 4: Siet, de loon der wercklieden die uwe landen gemaeyt hebben, welcke van u vercort is, roept: ende het geschrey der gene die ghe-ooghst hebben is gekomen tot in de ooren des Heeren Sabaoth. Vgl. ook Vondel, Noah, vs. 129: 's Menschen gruwzaemheên die schreien door de wolken heen. In denzelfden zin wordt gebezigd: t' Is God geklaagd; mnl. Gode sijt gheclaeght; zie Zeeman, 438 en Laurillard, 64. In Zuid-Nederland onbekend; hd. zum Himmel schreien; eng. to cry to Heaven. (Aanv.) Ook in 't fr. crier vengeance au ciel.

1120. Geeft den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is.

Eene zegswijze, die ontleend is aan Matth. XXII, vs. 21, en nu gebruikt wordt in dezen zin, ‘dat wij niet gewelddadig moeten ingrijpen in den politieken staat van zaken en tevens ons altoos door eerbied voor hetgeen heilig is en goed, door rechtschapenheid, waarheidsliefde, menschenmin moeten onderscheiden en alzoo de betamelijke hulde aan God moeten brengen’; Zeeman, 229; Laurillard, 81; Wander II, 1095; fri. jow oan 'e keizer hwet de keizer sines is, en oan God hwet God sines is; fr. il faut rendre à César ce qui est à César, et à Dieu ce qui est à Dieu; hd. gebet dem Kaiser, was des Kaisers ist und Gotte was Gottes ist; eng. render unto Caesar the things which are Caesar's.

2578. De mensch wikt en (of maar) God beschikt,

d.i. 's menschen willen en wenschen komen niet altijd overeen met den wil van God; immers die man penst ende God een anderMnl. Wdb. II, 536., zooals men in de middeleeuwen zeide. De gedachte is ontleend aan den Bijbel, Spreuken XVI, 9: Het herte des menschen overdenckt sijnen wech: maer de Heere stiert sijnen ganck; vgl. ook vs. 1; XIX, 21; Smetius, 124: Menschen mogen micken, Gott sal het schicken; Vondel, Jos. in Egypten, 1409: Maer anders schickt de mensch, en anders is 't beschoren; Harreb. I, 241 a; Ndl. Wdb. V, 206; Taalgids IV, 260; afrik. die mens wik maar God beskik; Joos, 194: de mensch mikt, God beschikt; de menschen maken den almenak en God het weer (hd. der Mensch macht Kalender, Gott das Wetter); lat. homo proponit, Deus disponit; hd. der Mensch denkt, God lenkt (Wander III, 593); fr. l'homme propose et Dieu dispose; eng. man proposes, God disposes.

2527. Gods water over Gods akker laten loopen,

d.w.z. de zaken haren wereldschen gang laten gaan, zich niet om 's werelds loop bekommeren. Op de oudste plaats, Campen, 107, waar de uitdr. voorkomt, luidt deze zegswijze: hy laet Godts water over Godts land gaen, in welken vorm wij ze ook aantreffen bij Brederoo, Symen s. Soeticheit, vs. 211: Mijn leyter gants niet aen, ick laet Gods water over Godts acker gaen; Winschooten, 348: Gods waater laaten gaan oover Gods akker; fioolen laaten sorgen: sig nergens meede bekommeren; vgl. verder Sewel, 940; Halma 768; Waasch Idiot. 260. In Limb. Gods water over Gods leem laten loopen (Welters, 89). Ook in den vorm eener vermaning bij Spieghel, 299: laat Goods water over Goods akker gaan, dat wellicht beteekent: maak u niet noodeloos bezorgd, laat het aan God overVgl. eene plaats uit Huygens, Hofwijck vs. 827: Ick sien het sorgeloos en op sijn Hofwycks aen, // En laet Gods weer en wind Gods acker over gaen; dat te vergelijken is met het fri. hy lit Gods wyn oer Gods lân waeije, en waar de beteekenis zijn kan: ik laat alles aan God over, in welken zin de zegswijze ook in het Duitsch voorkomt..Dat deze gunstige bet. de oudste is, is niet waarschijnlijk; tenminste bij Campen komt ze voor in den hedendaagschen ongunstigen zin, zooals uit de plaatsing aldaar blijkt. Reeds vroeg komt naast het wkw. ‘gaan’ ook ‘loopen’ voor; zie Sart. III, 9, 41: Godts water over Godts acker laten loopen, violen laten sorgen, hoc est, animo otioso, securo, vacuoque esse; V. Beverwyck, Schat d. Ges. 23 a; Brederoo I, 250; C. Wildsch. III, 72; Adagia, 27: Godts water over godts bodem laeten vaeren, in utramvis aurem dormireDeze zegswijze op beide ooren slapen is ook in het Ndl. bekend; vgl. Huygens, Hofwijck, 2575 en Handelsblad, 5 Maart 1915 (ochtendbl.) p. 5 k. 3: Schiller heeft het reeds gezegd, dat in die dagen de Duitschers op beide ooren sliepen; De Telegraaf, 15 Jan. 1915 (avondbl.) p. 2 k. 6: Daarentegen kunnen de ambtenaars, die met afzetting zijn bedreigd of reeds hun ontslag gekregen hebben, omdat zij niet willen komen werken voor de Duitschers, gerust op hun beide ooren slapen; Antw. Idiot. 889: op allebei zijn ooren slapen, ergens gerust in zijn; fr. dormir sur les deux oreilles; hd. auf beiden Ohren schlafen.; Br. v. Abr. Bl. I, 86; Ndl. Wdb. V. 216-217; Archief IV, 339-341; Harreb. I, 12 b; Heyermans, Ghetto, 89: Jij laat God's water over God's akker loopen - en, en as 't te laat is maakje lawaai; Handelsblad, 1 Maart 1914 p. 1 k. 4: Hij (de Albaniër) zit voor zijn huis en rookt zijn tsjiboek. En laat verder Gods water over Gods land loopen; afrik. hij laat maar Gods water oor Gods akker loop. De oorspr. bet. is volgens Tuinman I, 172 en het Ndl. Wdb. II1, 18: het water over het land laten loopen, zonder moeite te doen om het ‘bij overstrooming door dijken of dammen te keeren’, eene meening, die steun vindt in de door Schuerm. Bijv. 102 b, 't Daghet XII, 112 en Antw. Idiot. 1420 vermelde uitdr. Gods water over Gods dijk laten loopen. Voor het Nederduitsch zie Taalgids IV, 270; Woeste, 317 a; Eckart, 167; vgl. fr. laisser couler l'eau; hd. Gottes Wasser über Gottes Land laufen lassen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut