Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gluiperd - (huichelaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gluipen ww. ‘huichelachtig kijken, loeren’
Mnl. glupen ‘loeren, (en dan) heimelijk naderen’, in so ene den anderen stilzwigende ofte glupende wondede ‘indien iemand een ander stiekem of steelsgewijs zou verwonden’ [1416; MNW]; vnnl. glupen ‘bespieden, loerend opwachten’ [1573; Thes.]; nnl. gluipen ‘loerend, huichelachtig kijken’ in de jongen kan zo staan kyken en gluipen [1784; WNT].
De oorspr. betekenis was wrsch. ‘met half dichtgeknepen ogen kijken, als door een spleet’, wat zich heeft ontwikkeld tot ‘stiekem kijken, loeren’ en van daaruit tot de weer verdwenen betekenis ‘na het loeren stiekem naderen’. Gluipen is dan een afleiding bij verouderd gluip ‘kier, spleet’ in de uitdrukking ter gluip(s) ‘steels, heimelijk’: keek zo eens ter gluip naar 't boek [1784-85; WNT], nog tot in de 20e eeuw; gluip is wrsch. verwant met → gleuf en → glippen.
Mnd. glupen ‘met half gesloten ogen een stiekeme blik werpen; loeren, achterbaks zijn’, glūpesch ‘loerend’ (nnd. glupsch ‘id.’); nhd. glupen ‘met grote ogen aankijken; schuin aankijken’; ofri. glūpa ‘sluipen’ (nfri. glûpe); nzw. glupa ‘naar binnen schrokken’.
gluiperd zn. ‘geniepigerd, huichelaar’. Vnnl. gluper ‘bespieder, beloerder’ [1573; Thes.], ‘geniepigerd’ het is een gluiperd,... ligtmis, zuiperd, en een grooten logenaar [ca. 1655; WNT wafel]. Afgeleid met het achtervoegsel -erd, zie → -aard. ♦ gluiperig bn. ‘huichelachtig, onoprecht, geniepig’. Nnl. gluiperige Willem [1839; WNT], iets gluiperigs, iets onopregts [1863; WNT onoprecht], iets griezeligs, met die valsche, gluiperige oogen [1889; WNT]. Afleiding van de werkwoordsstam gluip- met het achtervoegsel -erig, zie → -ig.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

gluiperd, gluipzak: vals iemand; gluiperig persoon; huichelaar. Oorspronkelijk (rond 1573) gluper (bespieder). In de jeugdtaal van de jaren tachtig ook wel verkort tot glupo* (Hofkamp en Westerman).

Die gemeene gluiperd heeft me mijn tol afgegapt. (Tine van Berken, Een klaverblad van vier, 1894)
‘Een Roomsch-Katholieke gluiperd, zo glad als een aal in een pot met snot,’ zeggen medekunstenaars. (Jan Cremer, Logboek, 1978)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut