Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glos - (kanttekening)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

glos(se) zn. ‘kanttekening’
Mnl. glose ‘verklarende aantekening, commentaar’ [1240; Bern.], ‘commentaar, kanttekening’ mar die glose heuet in. dat hi .x. iaer leuede min ‘maar het (bijbel)commentaar vermeldt dat hij tien jaar korter leefde’ [1285; CG II, Rijmb.], ‘uitleg, interpretatie’ in ic makede trecht ende die ghelosen ‘ik (God) heb de wet gemaakt en de interpretatie, de uitlegging van de wet’ [ca. 1400; MNW], ook wel ‘verhullende of verzonnen verklaring’ zoals in si en coomt niet henen met deser glosen ‘ze komt niet weg met deze uitvlucht’ [1400-50; MNW]; vnnl. glose ‘verklaring, kanttekening, uitleg, commentaar’ [1599; Kil.], glossen (mv.) ‘commentaar, aantekeningen’ [1630; WNT]; nnl. ‘vertaling of verklaring bij een woord’ in in eene oude glosse wordt ‘horrere’ door ‘grawen, schewen’ vertaald [1870; WNT afschuw].
Ontleend, wrsch. via Oudfrans glose ‘verklarende aantekening’ [ca. 1175; Rey] (later ook ‘commentaar’ en ‘aanmerking’), aan Laatlatijn glōsa ‘verklarende aantekening bij een woord’, Latijn glōssa ‘id.’, maar oorspr. ‘woord dat verklaring behoeft’, ontleend aan Grieks glõssa (Ionisch), naast glõtta (Attisch) ‘tong, taal’ en ‘obscuur woord, dialectwoord’, van onbekende herkomst. Het woord kreeg pas tijdens het humanisme de klassiek-Latijnse -ss-.
Een glosse kan een verklaring en toelichting zijn bij een tekst, bijv. bij de bijbel. Een dergelijke glosse heet in het Latijn Glossa Ordinaria. Ook bij losse woorden kunnen glossen staan, bijv. de glossen op de Lex Salica [1885; WNT gelte], in die laatste betekenis is glosse een technische term uit de filologie voor ‘woordverklaring’.
glossarium zn. ‘verklarende woordenlijst’. Nnl. een glossarium van verouderde woorden in de titel van een verslag van W. Bilderdijk e.a. [1816; Picarta], glossarium ‘woordenboek waarin duistere, onbekende, verouderde woorden verklaard worden’ [1824; Weiland], ‘woordenlijst’ in het glossarium op Maerlants Rijmbijbel [1872; WNT Aanv.]. Ontleend aan Latijn glōssārium ‘woordenlijst’, afleiding van glōssa ‘verklarende aantekening bij een woord’. Ook Hoogduits Glossarium, naast de verkorte vorm Glossar (reeds eenmaal mhd. glosar [Pfeifer]); Engels glossary (ouder glosarie [ca. 1350; BDE]), Frans glossaire [1666; Rey], ouder glosaire [1585; Rey].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glos, glosse [kanttekening] {glo(os)se 1201-1250} < latijn glossa [taal, moeilijk woord dat uitleg behoeft, uitleg bij de tekst, commentaar] < grieks glōssa [tong, tongval, taal, verouderd woord]; de middelnl. vorm waarschijnlijk < frans glose [idem].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

glosse znw. v. ‘woord als kanttekening naast of in een tekst’ < lat. glōssa > gr. glō̃ssa ‘taal’. — In het mnl. mhd. ook glose ‘uitlegging, aantekening’ < laat-lat. glosa.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

glosse znw. Uit lat. glossa (< gr. glṓssa) evenals nhd. glosse v., eng. gloss. De laat-lat. vorm glosa (> it. cluosa, fr. glose, spa. port. glosa) was reeds mnl. mhd. als glose v. “uitlegging, aanteekening” overgenomen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

glosse. Glose v. < laat-lat. glosa ook mnd.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

glos kanttekening 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

705. Glossen maken op iets,

d.w.z. aanmerkingen, opmerkingen, spotternijen op iets maken. Onder glos, glosse, mlat. glossa, verstaat men eigenlijk een woord dat verklaring behoeft, vervolgens de verklaring van zulk een woord, en bij verdere uitbreiding verklaring, uitleg, ook van een geheelen zin, toelichting (vgl. glossarium), en dan in ongunstigen zin opmerkingen, spotternijen. De uitdrukking komt in dezen zin in de 18de eeuw voor. Zie verder Ndl. Wdb. V, 159-160; Mnl. Wdb. II, 2001 en vgl. fr. gloser sur qqch; hd. Glossen machen zu etw.; eng. to gloss upon, kritiseeren.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut