Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glooien - (licht hellen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

glooien ww. ‘licht hellen’
Vnnl. gloyen ‘hellend verlopen’ in deeze kaade te maecken op de hoochte van vyf voeten ..., aen de zyde naest de reviere vyer voeten gloyende en aen de lantzyde zeuen voeten gloyende ‘deze kade te maken op een hoogte van vijf voet, aan de zijde van de rivier vier voet hellende en aan de landzijde zeven voet hellende’ [1613; WNT waterpas II]; nnl. glooijen, glooien in het gloijen van den dijk [1713; WNT].
NEW stelt dat glooien verwant is met → gloeien; FvW zoekt verwantschap met een gewestelijk (Zaans) glooi, glouw ‘zichtbaar, open en bloot’, glooi lopen ‘gladjes lopen, van een leien dakje gaan’, waarbij dit glooi ook verwant is met gloeien, of met → gluren. Beide verklaringen lijken, vooral semantisch, niet erg wrsch.; eerder moet gedacht worden aan afleiding van verouderd glui, glei ‘dekstro, dekriet’, dus ‘met riet of stro versterken’, een woord dat al verschijnt in het Middelnederlands als gloi, gluy ‘dekstro, dekriet’: van tueen scueren met gloie ghedect ‘van twee schuren met dekriet bedekt’ [1286; CG I, 1091]. Dit woord is van zeer onduidelijke herkomst. Het komt ook in het Frans voor als (verouderd) glui ‘(bundel) dekstro, dekriet’ [1176-81; TLF]; het moet teruggaan op vulgair Latijn *glodium < Latijn *clodium ‘roggestro’ van onbekende herkomst. Keltische herkomst wordt onwaarschijnlijk geacht (TLF). Een andere mogelijkheid is dat het is afgeleid van Oudfrans glai, gle, gloi ‘iris, lis’, dat misschien teruggaat op Latijn gladius ‘zwaard’, zie → gladiator en → gladiool (WNT).
Mnd. glōien ‘de helling van een dijk, de kant van een sloot met stro bekleden’ ook ‘hellend maken’.
De huidige vorm glooien met -oo- lijkt uit een noordoostelijk dialect te komen, want in het Hollands zou men vormen als gleuien of gluien verwachten, zoals in de gleuying van den dijk met zooden van de hooge lande te belecken ‘de dijkhelling met zoden van het hoger gelegen land te bekleden’ [1577; WNT glooiing]. Bovendien werden in het westen de kanten niet met stro of riet maar met zoden versterkt, zoals ook blijkt uit voorgenoemd citaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glooien* [met een flauwe helling aflopen] {1640} nederduits glojen [hellen], mogelijk van een bn. dat in dial. glooi, glouw luidt en ‘duidelijk zichtbaar’ betekent, naast glooi lopen [glad, als van een leien dakje lopen]; in dat geval te verbinden met oudhoogduits glou, oudsaksisch glau [verstandig]; verwant met gloeien, gluren, maar qua betekenis beïnvloed door glijden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

glooien ww., na Kiliaen, vgl. Zaans glooi, glouw ‘duidelijk zichtbaar, open en bloot’ en glooi lopen ‘glad gaan’, verder te vergelijken met os. glau, ohd. glau, glou, oe. glēaw ‘verstandig, scherpzinnig’, on. glǫggr, gløggr ‘helder, duidelijk, zorgvuldig’, got. glaggwō ‘nauwkeurig’, glaggwaba, glaggwuba ‘zorgzaam’. — Zie verder: gloeien en voor de betekenis van ‘glanzend’ en ‘glad’ onder: glad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

glooien ww., nog niet bij Kil. Op j grond van ndd. glôjen “hellen, hellend maken” en “met stroo dekken” leidt men glooien wel van ndl. dial. glui, glei, mnl. gloy, gluy, gley, gli o. “een soort van stroo” af, dat uit ofr. gleu, glu,, glui (fr. glui “dekstroo”; van onbekenden oorsprong) komt en ook op ndd. gebied is ontleend. Deze afl. is èn formeel èn semantisch — ndl. glooien beteekent alleen “hellen” — onwsch. Veeleer geeft Zaansch glooi = glouw “duidelijk zichtbaar, open en bloot” naast glooi loopen “glad, zonder belemmering, als van een leien dakje gaan” ons aanleiding om glooien met dit bnw. glooi te combineeren. Glooi > *ʒlau-ja- sluit zich aan bij ohd. glau, glou, os. glau, ags. glêaw “verstandig, scherpzinnig”, on. glϕggr “id., schriel, duidelijk”, got. glaggwaba, -uba “nauwkeurig”. Oorspr. bet. “helder” < “blinkend”: òf germ.*ʒla-wa-(-wu-), van de basis ghlĕ-, ghlō̆- “blinken” (zie gloeien), òf *ʒlaw-u-, -a-: in dat geval ook hiermee, maar nader met gluren verwant.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

glooien. De in het art. voorgeslagen etymologie is niet overtuigend, maar er is geen betere.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

glooien ono.w., + Ndd. gloien, Oostfri. id. = hellen: oorspr. onbek.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

glooien* met een flauwe helling aflopen 1640 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut