Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gloednieuw - (volstrekt nieuw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gloed zn. ‘uitstralende hitte’
Mnl. gloet ‘gloed, brand’, in: indie gloet ‘in die gloed, in dat vuur’ [1290; CG II, En.Cod.], yser ..., datmen steket in die gloet ‘ijzer, dat men in het vuur steekt’ [14e eeuw; MNW], ook reeds overdrachtelijk in mijn herte dat bert al een geloet ‘mijn hart staat helemaal in gloed’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. der curtsen gloet ‘het gloeien, de hitte, van de koorts’ [1548; WNT zoet I], ook overdrachtelijk, zoals in de gloed van de liefde; nnl. ‘vuur, verve, hartstocht’ in riep de ander uit met gloed [1835; WNT], gedichten vol gloed en melodie [1875; WNT vrouwelijk], ook ‘afschijnsel van vurige of lichtgevende voorwerpen’ in in den onwezenlijken gloed van de avondzon [1930; WNT Aanv. berg I].
Os. glōd- in de samenstelling glōdpanna ‘braadpan’; ohd. gluot (nhd. Glut); oe. glēd; ofri. glōd, glēd; on. glóð ‘gloed, brand’ (nzw. glöd ‘gloed’); < pgm. *glōdi- ‘gloed, brand’, uitbreiding met dentaalachtervoegsel van de wortel pgm. *glōjan-, zie → gloeien.
gloednieuw bn. ‘geheel nieuw’. Nnl. gloednieuw “nagelnieuw, splinternieuw” [1836-38; WNT], een gloednieuwe broek [1866; WNT], de boeiende, gloednieuwe tafereelen die zich voor hem ontvouwden [1866; WNT]. Samenstelling met → nieuw. Oorspr. is de betekenis ‘zeer nieuw, nog gloeiend, zojuist gemaakt’, wrsch. moet men daarbij aan pas geslagen munten of zojuist gesmede voorwerpen denken, vergelijk ook fonkelnieuw en verouderde woorden als brand-nieuw en vier-nieuw [beide 1599; Kil.] (waarin vier = vuur).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gloednieuw* [volstrekt nieuw] {1836} nederduits glootnij, oostfries gloodnee, fries gloednij, vgl. hoogduits feuerneu, funkelnagelneu, engels fire-new, brandnew [zo nieuw dat het nog glanst].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gloednieuw bnw., nog niet bij Kil. = ndd. glootnij, oost fri. gloodnee, fri. gloednij. Vgl. hd. feuerneu (Hans Sachs, nog zwits.), eng. fire-new. Men verklaart deze woorden wel als “zoo nieuw als wat net uit het srnidsvuur komt”, ook, eenvoudiger, als “zoo nieuw, dat het gloeit, glanst”. Vgl. ook fonkelnieuw.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gloednieuw bijv., eig. zoo nieuw dat de gloed, d.i. de glans der nieuwheid er nog op is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gloednieuw* volstrekt nieuw 1836 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

579. Fonkelnieuw,

d.w.z. zeer nieuw, dat de glans er nog op ligt; zoo nieuw, dat het blinkt, fonkelt van nieuwheid. Vgl. mnl. viernieuwe, -nuwe; ndl. gloednieuw; fri. gloednij, glandnij (Molema, 126 a en dial. ndd.) en het eng. brandnew; Kiliaen: brandnieuw, viernieuw; 17de eeuw vuurnieuw (eng. firenew); splinternieuw, spiegelnieuw, spiksplinternieuw, enz.; stadfri. spiksplinternij. Ook in het hd. kent men funkelneu, funkelnagelneu; fr. flambant neuf.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut